Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-24
ECLI:NL:RBDHA:2022:12779
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,065 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.21454
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.21455, op 21 november 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Salvatore. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij heeft op 2 mei 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verweerder heeft Italië daarom verzocht om eiseres terug te nemen. De Italiaanse autoriteiten zijn daarmee op 14 juni 2022 akkoord gegaan.
3. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eiseres haar verzoek om internationale bescherming. In geschil is of verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van haar asielaanvraag aan zich had moeten trekken.
5. Tot op heden wordt ten aanzien van Italië onverkort uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit bevestigd in de uitspraken van onder meer 6 januari 2022, 24 juni 2022 en 26 augustus 2022. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6. Eiseres is daarin niet geslaagd. De stelling van eiseres dat de opvang in Italië slecht is heeft zij niet onderbouwd. Dat eiseres in Italië niet zou kunnen werken en of studeren maakt eveneens niet dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Bij voorkomende problemen in dat verband ligt het bovendien op de weg van eiseres om daarover te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.
7. Verweerder heeft tot slot geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij medische problemen heeft. Dat eiseres daarnaast alleenstaande vrouw is heeft verweerder in redelijkheid niet hoeven aan merken als dusdanig bijzondere omstandigheid.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:38, ECLI:NL:RVS:2022:1788 en ECLI:NL:RVS:2022:2497.