Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-15
ECLI:NL:RBDHA:2022:12347
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22585
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 20 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 11 november 2022 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Tunesische nationaliteit.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 oktober 2022 (in de zaak NL22.18843) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering en dat er geen zicht is op uitzetting omdat vaststaat dat eiser niet meewerkt aan de PCR-test die nodig is om eiser uit te zetten naar Tunesië.
5. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat begin oktober 2022 een vlucht gepland stond om eiser uit te zetten naar Tunesië. Deze uitzetting is geannuleerd omdat eiser weigerde mee te werken aan de benodigde PCR-test. Verder blijkt dat op 4 oktober 2022 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden en dat op 8 november 2022 een vertrekgesprek stond gepland. Dit gesprek heeft geen doorgang kunnen vinden, omdat eiser op dat moment niet beschikbaar was in verband met een bezoek aan de medische dienst.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht is op uitzetting, of dat verweerder onvoldoende voortvarend daaraan werkt. De uitzetting van eiser is geannuleerd, omdat eiser niet heeft meegewerkt aan de, voor verwijdering naar Tunesië noodzakelijke, PCR-test. Door de test te weigeren voldoet eiser niet aan de op hem rustende plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. In de beroepsgronden heeft eiser herhaald dat hij niet wenst mee te werken aan de vereiste PCR-test. Verweerder spant zich derhalve in om het vertrek van eiser zo spoedig mogelijk te realiseren en eiser kiest ervoor om de uitzetting te frustreren door het (blijvend) weigeren van de PCR-test. De daardoor ontstane vertraging in het proces van terugkeer komt geheel voor rekening en risico van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank ziet ten slotte ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.