Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-14
ECLI:NL:RBDHA:2022:12322
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,794 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.15433
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).
Procesverloop
In het besluit van 2 maart 2021 (primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van verzoeker op grond van het Unierecht beëindigd en hem ongewenst verklaard. Ook is eiser meegedeeld dat hij Nederland meteen moet verlaten.
In het besluit van 8 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft deelgenomen aan de zitting via een telehoorverbinding. Als waarnemer van eisers gemachtigde is verschenen, mr. A. Agayev. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000. Hij heeft de Letse nationaliteit en is daarmee een Unieburger. Op 23 februari 2021 heeft de politie eenheid Rotterdam aan verweerder voorgesteld om het verblijfsrecht van eiser te beëindigen en hem ongewenst te verklaren, omdat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren vanwege een poging tot afpersing en vuurwapen bezit.
2. In het primaire besluit heeft verweerder voornoemd voorstel opgevolgd. In het bestreden besluit heeft verweerder die beslissing gehandhaafd. Volgens verweerder vormt eiser vanwege zijn persoonlijk gedrag namelijk een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Omdat sprake is van een dringend geval, moet eiser Nederland meteen verlaten.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3. Eiser vindt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er in zijn geval sprake zou zijn van een actuele bedreiging van de openbare orde. Zo heeft verweerder in de besluitvorming onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden die tot eisers veroordeling hebben geleid. Uit het NIFP-rapport dat is opgesteld voor eisers (straf)zitting blijkt namelijk dat eiser ten tijde van het delict last had van psychotische klachten die hebben bijgedragen aan het ten laste gelegde. Ook wordt ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij zich gelet op de voorwaarde die is gesteld bij zijn veroordeling in 2017 onder ambulante behandeling bij de jeugdreclassering had moeten stellen. Deze behandeling is namelijk nooit opgestart en dit kan niet aan hem worden verweten. Hij was destijds immers zeer jong en had problemen op verschillende vlakken. Ook is van belang dat eiser in detentie onder behandeling is bij een psycholoog en zijn psychose in remissie is.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen procesbelang bestaat bij de beoordeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen de verblijfsbeëindiging, nu dit beroep gelet op eisers ongewenstverklaring nooit tot rechtmatig verblijf kan leiden. Verder vindt verweerder dat voldoende is gemotiveerd dat sprake is van een actuele dreiging, omdat er sprake is van eerdere veroordelingen, er geen verbetering in gedrag heeft plaatsgevonden in de voorgaande jaren, en uit de rapporten van de psychiater en reclassering ten tijde van eisers laatste veroordeling blijkt dat de kans op recidive hoog is. Het feit dat eiser nu in detentie onder behandeling is bij een psycholoog en psycho-educatie heeft gevolgd, maakt niet alsnog aannemelijk dat eiser zich bij terugkeer in de samenleving goed zal gedragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Actuele bedreiging
5. In beroep zijn de partijen verdeeld over de vraag of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en er daarom mocht worden overgegaan tot ongewenstverklaring en beëindiging van eisers verblijfsrecht. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.
5.1
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie doet het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling alleen ter zake, voor zover uit de omstandigheden die tot de veroordeling hebben geleid, blijkt van gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. De strafmaat en de kans op herhaling zijn indicatief voor het aannemen van een actuele bedreiging.
5.2
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de beoordeling heeft betrokken dat eiser vanaf 2017 meerdere malen is veroordeeld voor geweld, dreiging van geweld en verduistering. Eisers laatste veroordeling dateert van 8 december 2020, toen hij door het gerechtshof Den Haag (het Hof) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, vanwege een poging tot afpersing en het bezit van vuurwapens. In het strafvonnis heeft het Hof onder meer geoordeeld dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat eiser wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit mede omdat uit het rapport van Reclassering Nederland volgt dat er sprake is van een (beginnend) patroon van geweldsdelicten en de kans op recidive hoog wordt ingeschat. Verweerder heeft hieruit kunnen concluderen dat de bedreiging van eiser voor een fundamenteel belang van de samenleving actueel is.
5.3
De rechtbank gaat niet mee in eisers stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden die tot eisers veroordeling hebben geleid. Verweerder heeft de inhoud van het NIFP-rapport van 4 oktober 2019 waar eiser naar verwijst, kenbaar betrokken in de motivering van zijn beslissing. Hierover heeft verweerder terecht opgemerkt dat de rechtbank in eerste aanleg ten aanzien van dit rapport heeft geoordeeld dat op basis van het rapport niet kan worden vastgesteld dat eiser het tenlastegelegde heeft gepleegd onder invloed van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens (op grond waarvan hij verminderd toerekeningsvatbaar kan worden verklaard), aangezien de psychiater in het rapport geen duidelijke diagnose stelt. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de (in de uitspraak) geciteerde passages uit de psychiatrische rapportage blijkt dat de psychiater er niet zeker van is dat de verdachte in een psychose verkeerde ten tijde van het tenlastegelegde. Bovendien kwam het tenlastegelegde – zelfs als uitgegaan wordt van het bestaan van een psychose – volgens de psychiater niet direct voort uit die psychose. Het Hof heeft deze conclusie van de rechtbank in haar arrest gevolgd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5.4
De rechtbank is het met verweerder eens dat de omstandigheid dat eiser nu onder behandeling is bij een psycholoog, hij psycho-educatie heeft gevolgd en stelt dat zijn psychose in remissie is, niet leidt tot de conclusie dat niet langer sprake is van een actuele bedreiging. In het voorgaande is namelijk geconcludeerd dat eiser een verleden heeft met verschillende veroordelingen, dat eiser ondanks de verschillende straffen zijn gedrag heeft voortgezet en dat bovendien de psychische klachten van eiser ook niet op zichzelf de oorzaak vormden voor het plegen van het laatste delict waar eiser voor is veroordeeld. Verder is van belang dat nu eiser in detentie zit en hij nog niet is teruggekeerd in de samenleving, niet kan worden vastgesteld of hij bij toekomstige terugkeer weerstand zal kunnen bieden aan middelengebruik en hij ook buiten detentie zijn gedrag blijvend in positieve zin kan aanpassen. Verweerder heeft het betoog van eiser dat hij nooit eerder hulp heeft aangeboden gekregen niet hoeven volgen. Eiser heeft die stelling in bezwaar namelijk niet onderbouwd en bovendien mocht verweerder uit de veroordeling van eiser in 2017, waarbij de voorwaarde voor ambulante behandeling is gesteld, afleiden dat er wel degelijk in de voorgaande jaren hulp moet zijn aangeboden aan eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is het met eisers recht op privéleven en familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Met betrekking tot eisers familieleven heeft verweerder kenbaar in de belangenafweging betrokken dat eisers moeder in Nederland woonachtig is en eiser ook bij zijn moeder heeft gewoond. Echter heeft verweerder ook terecht gesteld dat er niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder, wat zou maken dat eiser zonder haar niet zelfstandig zou kunnen functioneren.
Dictum
De rechtbank verklaart
het beroep voor zover het zich richt tegen de ongewenstverklaring ongegrond;
het beroep voor zover het zich richt tegen de beëindiging van het verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Volgens artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en het beleid van verweerder als opgenomen in paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Op grond van artikel 8.24, derde lid, van het Vb 2000.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 januari 1999, Donatella Calfa (C-348/96), ECLI:EU:C:1999:6.
Arrest van de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag van 8 december 2020.
Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van rechtbank Rotterdam van 9 december 2019, rechtsoverweging 7.4.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3945.