Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2022:12178
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
772 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19378
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).
Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.19379, op 10 november 2022 op zitting behandeld te Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de wijzen van overdracht als genoemd in artikel 7 van de Uitvoeringsverordening niet in de bepaalde rangorde tot elkaar staan. Daaruit kan geen verplichting worden afgeleid om een vreemdeling de gelegenheid te bieden voor een overdracht op eigen initiatief. Deze verplichting kan evenmin worden afgeleid uit punt 24 van de considerans van de Dublinverordening. Dat passende informatie moet worden verschaft over de overdracht, betekent nog niet dat te allen tijde vrijwillige terugkeer naar de verantwoordelijke lidstaat moet worden aangeboden aan de vreemdeling.
2. In het geval van eiser hebben de Duitse autoriteiten medegedeeld dat zij geen vrijwillige terugkeer accepteren. In de acceptatie van de claim is ook aangeduid waarom (for safety reasons). Verweerder mocht daarom eiser de mogelijkheid onthouden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht. Wat eiser aanvoert over het gebrek aan redenen voor een gecontroleerde overdracht, doet hier niet aan af.
3. Het beroep is daarom ongegrond.
4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Verordening (EG) nr. 1560/2003.
Uitspraak van 10 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2162.
Verordening (EU) nr. 604/2013.