Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-02-22
ECLI:NL:RBDHA:2022:11523
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,592 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.20346
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.20347, op 8 februari 2022 op zitting behandeld. Eiseres is door middel van een beeldverbinding/telehoren verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Senmanapper. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1966. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest voor een nieuwe bomaanslag in Sri Lanka. Zij heeft bij de bomaanslag op 21 april 2019 zeven familieleden verloren.
Wat is het standpunt van verweerder?
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- aanslag op een kerkdienst op 21 april 2019.
2.1.
Verweerder heeft beide elementen geloofwaardig geacht. Verweerder acht daarbij niet aannemelijk dat zij vanwege haar katholieke geloof persoonlijk risico op vervolging loopt, omdat zij afgezien van de bomaanslagen in 2019 nooit persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege haar geloof. Daarbij heeft verweerder gewezen op de omstandigheid dat zij na de aanslagen in april 2019 tot aan haar vertrek in december 2021 in Sri Lanka zonder problemen heeft verbleven. Verder heeft verweerder betrokken dat de bomaanslagen een sterk willekeurig karakter hadden en niet persoonlijk op eiseres waren gericht. Daarnaast heeft eiseres haar vrees bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk heeft te vrezen voor de autoriteiten van haar land. Daarbij is meegewogen dat zij haar land op legale wijze heeft verlaten. Daarnaast zijn er geen concrete aanwijzingen waaruit volgt dat eiseres individueel meer risico loopt dan andere burgers betrokken te raken bij een eventuele nieuwe bomaanslag.
Bij de zienswijze heeft eiseres een brief van haar advocaat in Sri Lanka overgelegd, waaruit blijkt dat zij financiële problemen heeft en daarom vreest voor haar schuldeisers in Sri Lanka. Zij heeft in Sri Lanka vastgezeten en is vervolgens op borgtocht vrijgelaten in verband met een strafrechtelijke procedure. Vanwege schaamte heeft zij hier niet eerder over kunnen verklaren. Verweerder heeft in deze brief geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Eiseres heeft tot aan de zienswijze niks verklaard over haar vrees voor de schuldeisers en niet valt in te zien waarom zij dit eerder heeft gedaan. Daarnaast heeft zij met de brief niet nader gespecificeerd waarom zij te vrezen heeft in Sri Lanka nu deze vrij algemeen is geformuleerd.
Eiseres komt dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De omstandigheid dat eiseres een vals paspoort heeft gebruikt tijdens haar reis naar Nederland terwijl zij ook een echt paspoort had, heeft verweerder opgevat als misleiding. Daarom heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op de grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert aan dat, zoals zij al in de zienswijze heeft aangegeven, uit de brief van haar advocaat blijkt dat zij door haar geldschulden gevaar loopt in Sri Lanka vanwege haar schuldeisers. Eiseres heeft in beroep nog een tweede brief van de advocaat overgelegd als aanvulling op de eerdere brief. Deze brieven konden, gelet op de datering, niet eerder worden overgelegd. Verweerder had nader onderzoek moeten doen en eiseres aanvullend moeten te horen over dit element.
In beroep voert eiseres verder aan dat zij in 2016 is verkracht door een politieagent. Eiseres vreest voor deze politieman omdat hij heeft aangegeven dat hij haar zal doden als hij haar weer ziet. Terugkeer naar Sri Lanka levert daarom een schending van artikel 3 van het EVRM op. Over beide elementen heeft zij niet eerder kunnen verklaren vanwege schaamte.
Eiseres meent, onder verwijzing naar de arresten Alheto en Ahmedekova, dat verweerder deze elementen had moeten betrekken bij de beoordeling van haar asielrelaas. Verder stelt eiseres dat zij vanwege haar katholieke geloof moet worden aangemerkt als vluchteling. In Sri Lanka is sprake van religieus geweld door moslims gericht tegen de christenen. Verweerder heeft katholieken in Sri Lanka ten onrechte niet aangewezen als risicogroep dan wel als kwetsbare minderheid. Zij worden gediscrimineerd en er hebben incidenten plaatsgevonden.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt krantenartikelen en een rapport van USDOS overgelegd. Ook heeft zij verklaard dat zij grote beperkingen heeft ondervonden om haar geloof uit te oefenen. Met betrekking tot de afwijzingsgrond genoemd in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw betoogt eiseres dat zij verweerder niet heeft willen misleiden, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling. Het bestreden besluit is niet voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en daarnaast onvoldoende gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In Werkinstructie 2014/10 staat dat verweerder bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van een asielrelaas eerst de relevante elementen van het asielrelaas vaststelt. Daarna beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid van deze relevante elementen. Als een vreemdeling zijn verklaringen aanvult of corrigeert, dan verlangt verweerder dat hij verklaart waarom het rapport van gehoor niet klopt. Uit de werkinstructie concludeert de rechtbank dat indien sprake is van een vreemdeling die zijn verklaringen aanvult of corrigeert, en hiervoor geen deugdelijke verklaring geeft, dit wordt betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de relevante elementen (tweede stap). Dit betekent dat verweerder allereerst dient te beoordelen of er sprake is van een relevant element (eerste stap), dus of het in de correcties en aanvullingen naar voren gebrachte asielmotief tenminste raakt aan een onderwerp dat of verhaallijn die in verband staat met vluchtelingschap dan wel subsidiaire beschermingsstatus. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat verweerder bij het ontbreken van een deugdelijke verklaring voor de correctie en als er geen blijk is van vertaalproblemen tijdens het gehoor niet de gewenste waarde hoeft te hechten aan correcties en aanvullingen.
4.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres beroepsgronden heeft ingediend (die zien op problemen door het katholieke geloof, de afwijzing van haar asielaanvraag als kennelijk ongegrond, het terugkeerbesluit en het inreisverbod) die een vrijwel identieke herhaling zijn van wat zij eerder in de zienswijze heeft aangevoerd. Nu verweerder hier in het bestreden besluit al gemotiveerd op is ingegaan en eiseres in beroep niet heeft geconcretiseerd waarom het bestreden besluit op deze punten niet juist of niet toereikend is, kunnen deze gronden niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.2.
Zo heeft verweerder in het bestreden besluit al toegelicht waarom de brief van de advocaat uit Sri Lanka waarin staat dat eiseres schuldeisers heeft voor wie zij heeft te vrezen in Sri Lanka (eerste nieuwe asielmotief) niet leidt tot een ander standpunt dan in het voornemen is verwoord, omdat zij geen verschoonbare reden heeft gegeven voor deze aanvulling op haar asielrelaas. Verweerder heeft daarbij verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling en werkinstructie 2014/10 waaruit het toetsingskader volgt dat een vreemdeling juist tijdens het nader gehoor alle gelegenheid krijgt om zijn asielrelaas nader toe te lichten en dat aan latere veranderingen dan wel aanvullingen alleen nog waarde kan toekomen bij de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming wanneer daarvoor een afdoende toelichting wordt gegeven.
Conclusie
7. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
8. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
De Vreemdelingenwet 2000.
Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie het arrest van het HvJEU (het Hof) van 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:584.
Zie het arrest van het Hof van 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:801.
USDOS -US Department of State 2020 Report on International Religious Freedom: Sri Lanka, gepubliceerd op 21 mei 2021.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:955.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2538, r.o. 4.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169.