Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-10-26
ECLI:NL:RBDHA:2022:11295
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,608 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.20424
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen via beeldverbinding, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Bourik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Tunesische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
3. Eiser voert aan dat de ophoudingsgrondslag onjuist is. In het proces-verbaal is aangegeven dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl dit artikel 50, derde lid, van de Vw had moeten zijn. Zijn identiteit blijkt immers al uit het mutatierapport. Nu er op een onjuiste grondslag is opgehouden dient er een belangenafweging te volgen, die in het voordeel van eiser dient uit te vallen.
4. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de ophoudingsgrondslag onjuist is omdat er voldoende gegevens over de identiteit van eiser bekend waren ten tijde van de ophouding. Eiser heeft er terecht op gewezen dat zijn identiteit al blijkt uit het mutatierapport, daarin is immers zijn naam geboortedatum, nationaliteit en v-nummer genoemd. In dit verband verwijst de rechtbank naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit volgt dat verweerder de in het kader van de strafrechtelijk aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling bij de overbrenging en ophouding tot uitgangspunt mag nemen. Dit heeft tot gevolg dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw en is er sprake van een gebrek in het voortraject. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat de ernst van dit gebrek in deze zaak niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring zijn gediend. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er al langere tijd een vertrekplicht rust op eiser en dat hij ondanks deze vertrekplicht meermaals heeft verklaard dat hij hier geen gevolg aan wil geven en niet aan zijn terugkeer wil meewerken. Niet is in geschil dat verweerder eiser had kunnen ophouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en dit voor eiser in materiële zin geen verschil zou hebben gemaakt. Dit betekent dat de belangenafweging in het voordeel van verweerder uitvalt. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen. In zoverre slaagt de beroepsgrond van eiser niet.
5. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat de enkele omstandigheid dat eiser op 1 september 2022 is opgehouden en kennelijk is heengezonden maakt dat sprake is van willekeur omdat hij vervolgens op 25 september 2022 wel in bewaring is gesteld. Deze beroepsgrond is niet nader geconcretiseerd.
Melding aan de piketcentrale
6. Uit het dossier blijkt dat zich een piketmelding in het dossier bevindt die betrekking heeft op een andere vreemdeling. Dit leidt niet tot een gebrek in de zaak nu naast deze piketmelding ook de (juiste) piketmelding van eiser zich in het dossier bevindt. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
Grondslag maatregel
7. Eiser voert aan dat hij op de verkeerde wettelijke grondslag in bewaring is gesteld. In het gehoor heeft eiser immers gesteld dat hij in juli 2022 een asielaanvraag heeft gedaan. Ook verklaart hij dat hij in een AZC zou verblijven.
8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat geen sprake is van een lopende asielaanvraag. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling deelt de verbalisant mee dat de laatste asielaanvraag dateert van 3 december 2020. Eiser verklaart echter dat hij in Ter Apel asiel heeft aangevraagd in juli 2022 en dat hij daarna naar Dordrecht is gegaan. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verbalisant vervolgens contact opneemt met de IND. Daarna confronteert verbalisant eiser met de omstandigheid dat hij geen openstaande zaken heeft bij de IND en dus geen asielaanvraag heeft lopen. Op de vraag ‘wat wilt u nu?’ verklaart eiser vervolgens ‘als ik geen asielprocedure heb lopen in Nederland, dan verlaat ik Nederland.’ De verbalisant geeft eiser de mogelijkheid om alsnog een asielaanvraag in te dienen. Eiser verklaart hier geen gebruik van te willen maken. Daarbij komt dat in het dossier geen M35H-formulier zit. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gronden van de maatregel
9. Ter zitting heeft verweerder zware grond 3b en lichte grond 4b laten vallen.
10. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij de opsomming van de zware gronden in de maatregel van bewaring zware grond 3a niet is genoemd. Echter, uit de motivering blijkt dat deze zware grond wel aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Hier staat namelijk “a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen dan wel een poging daartoe heeft gedaan. De betrokkene beschikt niet over documenten en geeft aan dat hij op illegale wijze Europa is binnengekomen.” De rechtbank stelt vast dat de zware grond 3a inderdaad niet is aangekruist in de maatregel van bewaring, maar constateert ook dat deze zware grond wel in de maatregel van bewaring staat gemotiveerd. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2012 mag deze grond daarom worden meegenomen. Eiser heeft de feitelijke juistheid van deze grond niet betwist.
11. Eiser betwist zware grond 3c. Eiser stelt dat de omstandigheid dat hij al eerder een besluit heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt niet aan hem kan worden tegengeworpen, nu hij asiel heeft aangevraagd.
12. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 8. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een lopende asielaanvraag. Daarbij komt dat aan eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waar hij geen gehoor aan heeft gegeven. Deze grond is feitelijk juist.
13. De zware gronden 3a en 3c zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de overige gronden behoeft geen nadere bespreking meer.
Lichter middel
14. Eiser voert in het kader van het lichter middel aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom zijn verklaring dat hij biseksueel dan wel homoseksueel is in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, geen reden is voor de oplegging van een lichter middel. Eiser stelt dat het detentiecentrum voor hem niet veilig is, omdat er in het detentiecentrum vreemdelingen verblijven die bi- en homoseksualiteit niet accepteren.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser geen lichter middel dan bewaring doeltreffend kon worden toegepast. Verweerder heeft in het kader van het lichter middel de verklaringen van eiser over zijn seksuele geaardheid meegewogen. Hierbij is van belang dat eiser op de vraag ‘wat verwacht u dat in bewaring de belemmering zou zijn?’ slechts heeft herhaald dat hij biseksueel is. De enkele omstandigheid dat eiser biseksueel zou zijn, is geen reden om aan te nemen dat de maatregel onevenredig bezwarend is.
Conclusie
20. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134.
Stuk 11 in het dossier, HV04 Melding vreemdelingenpiket.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Zie pagina 1 en 2.
ECLI:NL:RVS2012:BX0747.
ECLI:NL:RVS:2022:85.