Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-10-18
ECLI:NL:RBDHA:2022:10851
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,777 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 22/6224 en SGR 22/6228
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 oktober 2022 in de zaken tussen
[verzoeker 1], uit [woonplaats], verzoeker 1, en [verzoeker 2], uit [woonplaats], verzoeker 2,tezamen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. E.M. Prins),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. M.R. Prins).
Als derde-partij neemt aan het geding deel De Haagsche Investeringsmaatschap te Amsterdam, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland).
Procesverloop
In het besluit van 14 maart 2022 (primair besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het veranderen en vergroten van de woning aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] naar drie woningen door het wijzigen van de indeling, het maken van een extra bouwlaag (kapverdieping) en het plaatsen en veranderen van kozijnen.
In de besluiten van 20 september 2022 (bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Vergunninghoudster heeft een zienswijze ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2022 op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld van de echtgenote van verzoeker 2. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [A] en [B], bijgestaan door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Feiten
2. Vergunninghoudster heeft op 16 december 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen en vergroten van de woning aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] naar drie woningen door het wijzigen van de indeling, het maken van een extra bouwlaag (kapverdieping) en het plaatsen en veranderen van kozijnen (het bouwplan). Deze aanvraag heeft betrekking op de activiteit het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
De bestreden besluiten
3. In de bestreden besluiten heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan deze besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening. Ook is het bouwplan volgens verweerder in overeenstemming met de vigerende bestemmingsplannen en heeft de Welstands- en Monumentencommissie op 9 maart 2022 een positief advies afgegeven. Verweerder heeft in de bestreden besluiten opgenomen dat hij geen aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 3.3, aanhef en onder a, van de planregels van het vigerende bestemmingsplan nadere regels in de omgevingsvergunning op te nemen ter beperking van de nadelige gevolgen qua bezonning voor omwonenden. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het bouwplan en de bouwhoogte aansluiten bij het bestaande karakter van de omgeving en de opbouw van het bouwblok en dat het bouwplan tot meer woningen leidt. Het ontbreken van een bijdrage aan vergroening en de vermindering van het mogelijk aantal zonuren bij enkele woningen - dat ook in verhouding tot de situering en breedte van de [adres] moet worden gezien - weegt hier niet tegen op. Bovendien past de extra kapverdieping ruim binnen de maximale goot- en bouwhoogte van de bouwregels van het vigerende bestemmingsplan.
Het verzoek
4. Verzoekers zijn omwonenden van de [adres] [huisnummer]. Zij zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren - samengevat - aan dat de bouw tot een ongeoorloofde hogere parkeerdruk leidt en dat het bouwplan tot een onevenredige toename van schaduwwerking op de gevels van hun woningen zal leiden.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter overweegt dat vergunninghoudster ter zitting heeft toegelicht dat met de voorbereidende werkzaamheden van de bouw is begonnen. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat sprake is van een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening.
Parkeren
6. Verzoekers betogen dat niet wordt voldaan aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren”. Verzoekers betogen dat het bouwplan namelijk niet voorziet in een parkeerplaats op eigen terrein en dat ook niet aan de voorwaarden in het bestemmingsplan wordt voldaan om hiervan af te wijken. De ten behoeve van het bouwplan beoogde parkeerplaats bevindt zich immers niet binnen de voorgeschreven afstand van 500 meter. Verder heeft vergunninghoudster volgens verzoekers een huurovereenkomst ingediend die identiek is aan een huurovereenkomst voor een parkeerplaats ten behoeve van een ander bouwplan van vergunninghoudster.
6.1.
Op grond van artikel 5.1, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” geldt dat indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft, een gebouw of functie alleen mag worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen en (brom)fietsen, met dien verstande dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat vergunninghoudster terecht betoogt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraken van 8 april 2020 en 15 december 2021 een vrijwel gelijkluidende planregel als die van artikel 5.1, onder a, van de planregels onduidelijk heeft geacht. De Afdeling overweegt in die uitspraken dat onduidelijk is wat bedoeld is met de zinsnede “indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft”. De Afdeling overweegt in de uitspraak van 15 december 2021 dat de betreffende planregel daarom in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en onverbindend moet worden geacht. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 5.1, onder a, van de planregels dezelfde formulering heeft. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geldt voor deze planregel daarom ook dat die in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel en onverbindend moet worden geacht. Dat betekent dat verweerder de aanvraag niet heeft kunnen toetsen aan deze planregel, zodat het niet in overeenstemming met deze planregel voorzien in voldoende parkeergelegenheid ook geen weigeringsgrond kan zijn. Gelet hierop behoeft wat verzoekers hebben aangevoerd met betrekking tot het parkeren geen bespreking meer.
Bezonning
7. Verzoekers betogen dat het bouwplan tot een onevenredige toename van schaduwwerking op de gevels van hun woningen zal leiden. Uit de zowel door verzoekers als door vergunninghoudster uitgevoerde bezonningsonderzoeken blijkt dat met de uitvoering van het bouwplan niet wordt voldaan aan de Haagse bezonningsnorm. Dit zou verweerder dan ook aanleiding moeten geven om nadere regels te stellen op grond van artikel 3.3, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “Stationsbuurt”. Gelet op deze planregel en het feit dat niet aan de Haagse bezonningsnorm wordt voldaan, mochten verzoekers erop vertrouwen dat, hoewel de maximale bouwhoogte van 14 meter niet wordt overschreden, door de bijzondere ligging en karakteristieke situering van hun woningen verweerder de bezonning nog zou onderzoeken. Juist de [adres] is een voorbeeld van de historische binnenstad en dient daarom extra te worden onderzocht in het kader van artikel 3.3 van de planregels. Verweerder heeft zich volgens verzoekers erg makkelijk een belangenafweging toegedicht, waarbij oneigenlijke belangen zijn meegewogen.
7.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan de maximale goot- en bouwhoogte niet overschrijdt. De door verzoeker 1 en vergunninghoudster ingebrachte bezonningsstudies verschillen inhoudelijk van elkaar. Beide rapporten komen wel overeen voor wat betreft de mogelijke zonuren in de bestaande situatie. Uit beide rapporten volgt dat al geen sprake was van minimaal twee uur mogelijke zonuren en dat het bouwplan tot een verslechtering van het aantal mogelijke zonuren leidt. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om nadere regels te stellen ten aanzien van de vormgeving van het gebouw. Verweerder heeft hiertoe van belang geacht dat de extra kapverdieping ruim past binnen de maximale goot- en bouwhoogte van de bouwregels van het bestemmingsplan en dat door de situering en smalle breedte van de [adres] niet goed kan worden voorzien in voldoende zonuren. Verweerder heeft daarnaast gewicht toegekend aan het gegeven dat het bouwplan en de bouwhoogte aansluiten bij het bestaande karakter van de omgeving en de opbouw van het bouwblok en dat het bouwplan tot meer woningen leidt.
7.2.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Stationsbuurt”. Op het perceel rust de enkelbestemming “Gemengd - 1” met de functieaanduiding “horeca tot en met categorie 3” en de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2”.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de bestreden besluiten naar verwachting geen stand zullen houden in de bodemprocedures. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2020:1029.
ECLI:NL:RVS:2021:2822.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:565.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1489.