Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2022:10634
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,293 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19198
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 september 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 28 september 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 28 september 2022 een verweerschrift ingediend. Op 10 oktober 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Voorafgaand aan de huidige maatregel is aan eiser op 29 augustus 2022 een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Vaststaat dat deze maatregel op een onjuiste grondslag is opgelegd en onrechtmatig heeft voortgeduurd tot en met 14 september 2022. Bij brief van 15 september 2022 heeft verweerder aan eiser aangeboden de schade vanwege deze onrechtmatigheid te vergoeden.
4. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring van 29 augustus 2022 niet tijdig is omgezet. Eiser stelt dat de maatregel vanaf 31 augustus 2022 onrechtmatig is geworden omdat verweerder op die datum heeft opgemerkt dat eiser op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Verweerder had conform de geldende jurisprudentie van de Afdeling binnen twee dagen de grondslag van de maatregel van bewaring moeten wijzigen. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de maatregel van 29 augustus 2022 pas op 14 september 2022 heeft opgeheven.
5. De rechtbank overweegt dat de vraag of een bewaringsmaatregel tijdig is omgezet alleen kan worden beoordeeld in het beroep dat zich richt tegen die maatregel. Eiser heeft tegen de maatregel van 29 augustus 2022 geen beroep ingesteld. Omdat die maatregel hier niet ter toetsing voorligt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of die maatregel te laat is omgezet en of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Op 14 september 2022 is het bestreden besluit genomen om eiser in bewaring te stellen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eisers beroepsgrond dat de huidige maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat de maatregel van 29 augustus 2022 niet tijdig is omgezet volgt de rechtbank niet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een gebrek dat aan de eerste maatregel kleeft niet maakt dat de daaropvolgende maatregel reeds daarom van aanvang af onrechtmatig is. Eiser heeft verder geen gronden aangevoerd ten aanzien van deze maatregel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1082 en van 21 februari 2017 ECLI:NL:RVS:2017:504.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67.