Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-08-25
ECLI:NL:RBDHA:2021:9619
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,341 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.5502
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Eiser heeft tegen beroep ingesteld tegen het besluit van 16 maart 2021 waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het niet opheffen van zijn ongewenstverklaring ongegrond heeft verklaard (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1979 en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Hij verblijft niet in Nederland.
2. Bij besluit van 5 februari 2010 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard. Op 16 december 2019 heeft eiser verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring, omdat deze hem zou beperken bij de uitoefening van zijn recht op gezinsleven in Spanje. Bij voornemen van 7 juli 2020 heeft verweerder eiser bericht dat hij voornemens is de ongewenstverklaring op te heffen en eiser in plaats daarvan een inreisverbod op te leggen voor de duur van twee jaar. Verweerder heeft bij besluit van 16 september 2020 (het primaire besluit) het verzoek om opheffing afgewezen, omdat volgens verweerder niet is voldaan aan de voorwaarden voor opheffing als neergelegd in artikel 6.6. van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb): eiser niet heeft niet alle benodigde gegevens overgelegd om aan te tonen dat hij na zijn ongewenstverklaring tenminste tien jaren onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft het verzoek daarnaast beoordeeld in het licht van het arrest Filev en Osmani en de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2015, en geconcludeerd dat dit evenmin kan leiden tot opheffing van de ongewenstverklaring. Van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de ongewenstverklaring desondanks zou moeten worden opgeheven is verweerder niet gebleken. Eiser heeft volgens verweerder het gestelde gezinsleven met zijn partner in Spanje niet onderbouwd. Voor tijdelijke opheffing heeft verweerder evenmin aanleiding gezien.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar hiertegen kennelijk ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder gehouden was een inreisverbod op te leggen en ook voornemens was dat te doen. Door de ongewenstverklaring ondervindt eiser meer hinder dan bij oplegging van een inreisverbod, omdat de ongewenstverklaring voor onbepaalde tijd geldt. Nu verweerder de ongewenstverklaring toch handhaaft, heeft verweerder misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid en gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder stelt eiser dat verweerder, gelet op de tijd dat de ongewenstverklaring inmiddels duurt en gezien de overgelegde stukken, het verzoek niet heeft kunnen afwijzen. Tot slot beroept eiser zich op artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet is in geschil dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen niet-oplegging van een inreisverbod. Evident is dat hij wél belang heeft bij het beroep tegen de gevolgen van de keuze van verweerder om niet een inreisverbod op te leggen, maar de ongewenstverklaring te handhaven.
6. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient eiser aannemelijk te maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Er is geen sprake van een toezegging als er uitdrukkelijk over het concrete geval aan de betrokkene een voorbehoud is gemaakt. Verweerder heeft in het voornemen medegedeeld dat hij voornemens is om de ongewenstverklaring op te heffen en in plaats daarvan een inreisverbod op te leggen. Verder volgt hieruit dat bij de voorbereiding van het besluit de persoonlijke situatie van eiser van belang kan zijn en daarom wordt eiser in de gelegenheid gesteld om uit te leggen waarom volgens eiser geen inreisverbod mag worden opgelegd. Dat heeft eiser bij zienswijze gedaan. Vervolgens heeft verweerder het verzoek tot opheffing getoetst aan de hiervoor geldende voorwaarden. Van een concrete toezegging is geen sprake geweest. Eiser heeft uit het voornemen dan ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat hem een inreisverbod zou worden opgelegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank volgt evenmin het betoog van eiser dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid, nu het verzoek van eiser is getoetst aan de voorwaarden voor inwilliging.
7. Vaststaat dat eiser niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd om aan te tonen dat hij na zijn vertrek uit Nederland na zijn ongewenstverklaring tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Zo heeft eiser geen kopieën van alle pagina’s uit zijn paspoorten overgelegd en heeft hij geen overzicht gegeven van plaatsen waar hij sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat uit de verklaringen van eisers voormalig werkgever in de Dominicaanse Republiek niet volgt dat eiser tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft het verder opvallend kunnen vinden dat in één van deze verklaringen staat dat eiser vanaf september 2008 bij die werkgever in dienst is geweest, terwijl hij pas op 17 oktober 2008 Nederland heeft verlaten. Verweerder heeft ook terecht gewezen op de verklaring van eiser van 6 februari 2020 dat hij sinds zijn ongewenstverklaring twee keer in Nederland is geweest. Verweerder heeft daarnaast in overeenstemming met het arrest Filev en Osmani en de uitspraken van de Afdeling van 30 juli 2015 en 21 februari 2018 het verzoek van eiser tot opheffing van zijn ongewenstverklaring aangemerkt als een verzoek tot het opheffen van een inreisverbod en beoordeeld of eiser sinds zijn ongewenstverklaring vijf jaren buiten de EU heeft verbleven. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat eiser ook hiervoor niet alle gevraagde stukken heeft overgelegd. De verklaring van eiser dat hij sinds 2011 Nederland niet heeft bezocht, heeft hij zelf opgesteld en maakt bovendien niet duidelijk waar hij sindsdien heeft verbleven. Nu onduidelijk blijft waar eiser sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, kan evenmin worden aangetoond of eiser in die periode geen misdrijven heeft gepleegd en niet aan strafvervolging onderworpen is geweest. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring.
8. Verweerder heeft in het gestelde familie- en gezinsleven van eiser in Spanje geen aanleiding hoeven zien om de ongewenstverklaring toch op te heffen. Eiser heeft zijn gestelde relatie met zijn vriendin in Spanje niet onderbouwd. Evenmin heeft hij aangetoond dat zijn gestelde vriendin in Spanje verblijfsrecht heeft. Verder is niet gebleken dat eiser zijn gestelde gezinsleven niet in zijn land van herkomst of elders zou kunnen uitoefenen. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM slaagt daarom niet.
9. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ook overigens geen aanleiding bestaat om de ongewenstverklaring tijdelijk op te heffen, omdat niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk en dringend geval, zoals bedoeld in artikel 6.5c van het Vb.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 september 2013, ECLI:NL:EU:C:2013:569
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ECLI:NL:RVS:2015:2538
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2734
Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694
ECLI:NL:RVS:2018:622, onder 3.2