Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-01-25
ECLI:NL:RBDHA:2021:9238
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.19476
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Sidler).
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.19477, plaatsgevonden op 7 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde hebben via beeldverbinding (skype) aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die ter zitting is verschenen. Tevens heeft B. Doede als tolk via beeldverbinding (skype) aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 17 juni 2020 de onderhavige aanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – allereerst aangevoerd dat verweerder de belangen van zijn minderjarige zoon ten onrechte niet in de besluitvorming heeft betrokken. Eiser overlegt een e-mail van zijn familierechtadvocate, foto’s van hem en zijn zoon evenals een kopie van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2020, waaruit blijkt dat hij de biologische vader is en dat sinds 31 oktober 2020 de omgangsregeling is getroffen dat eiser zijn zoon elke zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur ziet. Het is in het belang van zijn zoon dat eiser hier in Nederland bij hem kan zijn. Bij een overdracht naar Italië kan eiser zijn zoon niet langer elke zaterdag ophalen en verzorgen. Hieruit volgt dat de zoon van hem afhankelijk is. Verweerder heeft dit miskend en ten onrechte niet in de beoordeling van artikel 16 en artikel 17 van de Dublinverordening betrokken. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez, waarnaar verweerder heeft verwezen in de Werkinstructie 2019/8, volgt dat het hogere belang van het kind voorop dient te staan bij toepassing van de Dublinverordening. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Uit de aangehaalde bronnen bij de zienswijze blijkt dat eiser bij overdracht in een detentiecentrum terecht zal komen, waarin de omstandigheden zeer slecht zijn, en dat hij geen recht heeft om hierover te klagen. De overdracht aan Italië is dan ook in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449), met inachtneming van AIDA, ‘Country Report: Italy 2019 Update’ van de European Council on Refugees and Exiles van 27 mei 2020 en het rapport van de Swiss Refugee Council van januari 2020, geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog immer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er dan ook van uitgaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan hun internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
5.2
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft immers in zijn zienswijze verwezen naar rapporten die de Afdeling reeds in de beoordeling heeft betrokken, zie voornoemde Afdelingsuitspraak. Uit deze Afdelingsuitspraak volgt dat ten aanzien van Italië nog immer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat, hoewel uit de citaten die eiser in zijn zienswijze heeft opgenomen, naar voren komt dat afgewezen asielzoekers tegen wie een ‘removal order’ is uitgevaardigd, het risico lopen gedetineerd te worden en dat de omstandigheden in detentiecentra te wensen overlaten, maar dat uit deze bronnen nog niet blijkt dat elke afgewezen asielzoeker ook daadwerkelijk gedetineerd wordt.
5.3
De vraag die verder in beroep voorligt, is of verweerder de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet behandelen op grond van artikel 16, eerste lid, dan wel op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling aan zich had moeten trekken.
5.4
In artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening is neergelegd dat wanneer, wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn kind, broer of zus of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten, of het kind, de broer of zus, of de ouder van de verzoeker dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten afhankelijk is van de hulp van de verzoeker, de lidstaten er normaliter voor zorgen dat de verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met dat kind, die broer of zus, of die ouder, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, het kind, de broer of zus, of de ouder of de verzoeker in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.
5.5
Voor zover eiser een beroep doet op artikel 16 van de Dublinverordening, overweegt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat de in Nederland wonende zoon van eiser van eiser afhankelijk is. Daarbij heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet met stukken heeft onderbouwd dat sprake is van afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in dit artikel. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 9 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1364) heeft overwogen, ziet artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening, gelet op de duidelijke bewoordingen, niet op de situatie van de vreemdeling, waarin tussen hem en zijn kind alleen door de jeugdige leeftijd van het kind een afhankelijkheidsrelatie bestaat. Nu eiser zich enkel beroept op de leeftijd van zijn zoon en het belang dat hij daarom in hetzelfde land als zijn zoon kan wonen, slaagt het beroep van eiser op artikel 16 van de Dublinverordening niet.
5.6
De rechtbank overweegt dat verweerder in individuele gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, indien eiser op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt. Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder slechts terughoudend.
5.7
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser in het bestreden besluit heeft kunnen tegenwerpen dat hij de gestelde familieband met zijn zoon niet heeft onderbouwd.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.