Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-08-18
ECLI:NL:RBDHA:2021:9028
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,048 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 21/3702 (voorlopige voorziening)
AWB 21/3701 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2021 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] , nationaliteit: onbekend
verzoeker,
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana, advocaat te Amsterdam)
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,
(gemachtigde: mr. J.P. Guerain, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).
Procesverloop
Bij e-mail van 26 mei 2021 heeft verweerder het verzoek van verzoeker tot het overplaatsen van de versoberde opvang naar de reguliere opvang afgewezen.
Verzoeker heeft tegen deze e-mail beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt hem per direct over te plaatsen naar de reguliere opvang.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verzoeker is telefonisch bijgestaan door een tolk, de heer [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Inleiding
3. Verzoeker heeft op 23 maart 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De IND heeft deze aanvraag op 2 april 2021 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw omdat aan verzoeker in Griekenland internationale bescherming is verleend. Op 14 mei 2021 heeft verzoeker verweerder verzocht hem naar de reguliere opvang over te plaatsen. Dit verzoek heeft verweerder op 26 mei 2021 in een e-mail afgewezen. Na indiening van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft verweerder bij besluit van 30 juli 2021 deze afwijzing formeel bevestigd. Verzoeker heeft op 1 augustus 2021 aanvullende gronden van beroep ingediend en heeft de voorzieningenrechter verzocht om het verzoek om een voorlopige voorziening met spoed te behandelen. Dit onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021 ten aanzien van de positie van statushouders in Griekenland.
Waar richt het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zich tegen?
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de e-mail van 26 mei 2021 ingevolge artikel 5, tweede lid, Wet COA een feitelijke handeling is die met een beschikking wordt gelijkgesteld. Tegen deze feitelijke handeling heeft verzoeker op 22 juni 2021 beroep ingesteld en hangende dit beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit beroep heeft ingevolge artikel 6:19 Awb van rechtswege mede betrekking op het besluit van 30 juli 2021.
Besluit verweerder
5. Verweerder heeft het verzoek van verzoeker afgewezen omdat de IND de asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Op grond van dit besluit zijn de artikelen 9, zevende lid en 19, derde lid van de Rva op verzoeker van toepassing. De voorzieningenrechter heeft weliswaar bij uitspraak van 30 april 2021 een voorlopige voorziening in de asielzaak getroffen en bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het (asiel)beroep, maar daarmee is het besluit op de asielaanvraag van 2 april 2021 niet vernietigd. De hiervoor genoemde artikelen van de Rva zijn daarom nog steeds van toepassing op verzoeker. Pas bij een gegrond beroep, waarbij het besluit van 2 april 2021 wordt vernietigd, dan wel indien het besluit door de IND wordt ingetrokken, zullen de artikelen 9, zevende lid, en artikel 19, derde lid van de Rva, niet van toepassing zijn op verzoeker.
Juridisch kader
6. Artikel 9, eerste lid, onder b, van de Rva luidt als volgt:
“Behoudens de uitzondering genoemd in het vijfde lid, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval de volgende verstrekkingen:
(…) b, een wekelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven;”
Artikel 9, zevende lid, van de Rva luidt sinds 14 september 2020 als volgt:
“Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de asielzoeker die is overgeplaatst naar de handhavings- en toezichtlocatie en de asielzoeker, uitgezonderd alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die afkomstig is uit een veilig land van herkomst of die reeds bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie en van wie de eerste of opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a of d, van de Vreemdelingenwet 2000, of kennelijk ongegrond is verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, ongeacht de procedure waarin daartoe is besloten.”
Artikel 19, eerste lid, onder e, van de Rva luidt als volgt:
“Behoudens de uitzondering genoemd in lid 2 is de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening verplicht:
(…) e. te voldoen aan de COA inhuisregistratie door zich wekelijks te melden bij het COA teneinde te kunnen vaststellen of hij nog in de opvangvoorziening verblijft en aanspraak maakt op opvangvoorzieningen;”
Artikel 19, derde lid, van de Rva, luidt sinds 14 september 2020 als volgt:
“In afwijking van het eerste lid, onder e, dient de asielzoeker die is overgeplaatst naar de handhavings- en toezichtlocatie en de asielzoeker van 16 jaar of ouder, uitgezonderd alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die afkomstig is uit een veilig land van herkomst of die reeds bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie en van wie de eerste of opvolgende asielaanvraag vermoedelijk niet-ontvankelijk zal worden dan wel is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a of d, van de Vreemdelingenwet 2000, of vermoedelijk kennelijk ongegrond zal worden dan wel is verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, ongeacht de procedure waarin daartoe zal of is besloten, te voldoen aan de COA inhuisregistratie door zich dagelijks te melden bij het COA.”
6.1
De in artikel 9, zevende lid en artikel 19, derde lid van de Rva genoemde uitzonderingen zijn ingevoerd met de Regeling van 14 september 2020, nummer 2995026, “houdende wijziging van de Rva in verband met de versobering van de verstrekkingen aan bepaalde groepen asielzoekers”. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij die Regeling het doel van die wijzigingen als volgt – samengevat – toegelicht:
“Al langere tijd is sprake van een relatief grote groep vreemdelingen die afkomstig is uit een veilig land van herkomst of die reeds bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie en die in Nederland asiel vraagt, veelal zonder oprecht asielmotief. Deze groep doet een groot beroep op alle partijen in de keten. Een versoberde opvang past bij de veelal relatief korte tijd die deze groep, met een relatief kansarme asielaanvraag, in Nederland verblijft. Deze maatregel draagt bij aan de gewenste ontmoediging en het beleid om deze groep zo spoedig mogelijk te laten terugkeren. De versoberde opvang houdt in dat de financiële toelage wordt afgeschaft en dat de vreemdeling zich dagelijks moet melden. Daarnaast zullen zij op een afgescheiden deel van de opvanglocatie worden geplaatst. Dit geldt niet voor kwetsbare asielzoekers of voor AMV’ers. Deze regeling bewerkstelligt dat de asielzoeker die behoort tot de doelgroep van kansarme aanvragen, op grond van artikel 9, zevende lid, van de Rva, in de versoberde opvang blijft, ook na afdoening van de aanvraag en tijdens een eventuele (hogere) beroepsfase.”
Beroepsgronden
7. Verzoeker voert aan dat artikel 9, zevende lid, en artikel 19, derde lid, van de Rva niet meer op hem van toepassing zijn vanwege het eerder op 30 april 2021 toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening in zijn asielzaak. Dit toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening heeft immers schorsende werking waardoor de niet-ontvankelijkverklaring niet onherroepelijk vaststaat en voorlopig ook niet meer in stand kan blijven. Dat er nog een beroepsprocedure loopt tegen het asielbesluit maakt dit niet anders.
Conclusie
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 9, eerste lid jo. zevende lid, van de Rva en 19, eerste lid jo. derde lid van de Rva. De voorzieningenrechter zal voorts beoordelen of aanleiding bestaat het geschil definitief te beslechten. De voorzieningenrechter ziet gelet op het hiervoor overwogene geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat verzoeker met onmiddellijke ingang in de reguliere opvang wordt opgenomen.
9. Nu in de hoofdzaak is beslist, hoeft niet meer op het verzoek te worden beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
10. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verzoeker met onmiddellijke ingang in de reguliere opvang wordt opgenomen en
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.496,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Algemene wet bestuursrecht.
Immigratie- en naturalisatiedienst.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627.
Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
NL21.5375.
Staatscourant 2020,48688