Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-06-16
ECLI:NL:RBDHA:2021:7546
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,873 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 21/763 en AWB 21/764
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 15 juni 2021 in de zaak tussen
[eiseres], geboren op [1948], van Angolese nationaliteit, eiseres/verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Flipse),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Berben).
Procesverloop
In het besluit van 3 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verstrekkingen ingevolge de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) aan eiseres/verzoekster met ingang van 3 februari 2021 beëindigd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres heeft bij besluit van de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid (J&V) van 31 augustus 2020 op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) uitstel van vertrek gekregen van 8 augustus 2020 tot 8 februari 2021. Op 6 januari 2021 heeft de staatssecretaris van J&V besloten om de aanvraag van eiseres van 13 juli 2020 om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘medische behandeling’ af te wijzen. De uitstel van vertrektermijn is toen op 6 januari 2021 geëindigd.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het recht op Rva-verstrekkingen van eiseres beëindigd per 3 februari 2021. Van 8 augustus 2020 tot en met 6 januari 2021 heeft eiseres rechtmatig verblijf gehad. Het recht op opvang eindigt vier weken nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd, dus op 3 februari 2021.
3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de Rva-verstrekkingen heeft beëindigd, omdat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van de staatssecretaris van J&V van 6 januari 2021 en nog in afwachting is van het besluit op bezwaar. Verder voert eiseres aan dat verweerder de Rva-verstrekkingen niet heeft mogen beëindigen, omdat zij op leeftijd is, geen Nederlands kan en geen netwerk heeft in Nederland en nergens heen kan, ook niet naar het land van herkomst en tevens omdat er sprake is van een acute medische noodsituatie. Zij heeft medische hulp nodig.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het recht op Rva-verstrekkingen van eiseres heeft mogen beëindigen, omdat eiseres niet onder een van de categorieën in de Rva 2005 valt die aanspraak maakt op verstrekkingen. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter kunnen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen uitsluitend in de gevallen voorzien in de Rva 2005 jegens het COA aanspraak maken op verstrekkingen, waaronder opvang. In artikel 3, van de Rva 2005 zijn de categorieën asielzoekers opgenomen aan wie opvang wordt geboden in een opvangvoorziening. Eiseres valt niet onder een van deze categorieën. Dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning maakt ook niet dat zij onder een van de categorieën valt waartoe verweerder gehouden is om opvang te bieden in een opvangvoorziening.
5. De rechtbank overweegt dat een op Nederland rustende verdragsrechtelijke verplichting om in bepaalde gevallen ook andere vreemdelingen buiten de reikwijdte van de Rva 2005 opvang te bieden, niet met zich meebrengt dat deze verplichting op verweerder rust. Verweerder kan niet worden gehouden tot het verlenen van opvang in situaties die niet in de Rva 2005 zijn voorzien, tenzij er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 23 maart 2012 geoordeeld dat enkel in zeer beperkte gevallen sprake kan zijn van zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot feitelijke opvang. Eén van die omstandigheden kan een acute medische noodsituatie betreffen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen acute medische noodsituatie heeft hoeven aannemen. Het is aan de desbetreffende vreemdeling om, indien daartoe aanleiding bestaat, aannemelijk te maken dat van een zodanige bijzondere omstandigheid sprake is. De enkele stelling dat eiseres medische hulp nodig heeft vanwege haar aandoening heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende mogen achten om aan te nemen dat sprake is van een acute medische noodsituatie. Daarbij komt dat de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat een acute medische noodsituatie niet in de weg staat aan het beëindigen van de verstrekkingen, als de desbetreffende vreemdeling ingevolge artikel 10 van de Vw 2000 aanspraak maakt op een voorziening die het intreden van de gevolgen van het achterwege laten van de medische behandeling voorkomt. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft aanspraak maakt op de verlening van medisch noodzakelijke zorg ingevolge artikel 10 van de Vw 2000. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres geen aanspraak maakt op de verlening van de medisch noodzakelijke zorg, noch dat er een direct verband bestaat tussen de beëindiging van de opvang en het niet verkrijgen van medische zorg. Concluderend, verweerder was dus niet gehouden tot het verlenen van opvang vanwege een acute medische noodsituatie. Verweerder was daartoe ook niet gehouden vanwege de overige door eiseres aangevoerde omstandigheden. Voor zover eiseres meent op grond van de op Nederland rustende verdragsrechtelijke verplichtingen aanspraak te hebben op opvang, is verweerder niet bevoegd die opvang te verlenen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 15 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000.
Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 januari 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:86).
Zie de uitspraak van de ABRvS van 23 maart 2012, (ECLI:NL:RVS:2012:BW0578).
Zie de uitspraak van de ABRvS van 23 maart 2012, (ECLI:NL:RVS:2012:BW0578).