Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2021:5482
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,105 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/1593
uitspraak van de meervoudige militaire kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.J. van der Torn),
en
de Staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.P. Slingerland).
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om aansprakelijkheid te erkennen voor restschade, afgewezen.
Bij besluit van 16 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021.
Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1.
Eiser is als dienstplichtig militair uitgezonden geweest naar Libanon. Bij besluit op bezwaar van 20 december 2017 heeft de Stichting Pensioenfonds ABP namens verweerder aan eiser met ingang van 24 juni 2015 een militair invaliditeitspensioen toegekend waarbij de mate van invaliditeit is vastgesteld op 12,08% (afgerond naar 13%). Daarbij is verergerend dienstverband aanvaard voor de bij eiser vastgestelde psychische aandoening van traumatische aard.
1.2.
Eiser heeft verweerder bij brief van 30 april 2019 verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van de bij hem vastgestelde dienstverbandaandoening. Daarbij heeft eiser opgemerkt dat deze brief tevens is aan te merken als een stuitingshandeling.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Eiser dient eerst een beroep te doen op artikel 11a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) en de Uitvoeringsregeling Volledige Schadevergoeding (UVS) (hierna samen ook te noemen: Regeling Volledige Schadevergoeding, afgekort: RVS). Het verzoek om schadevergoeding op basis van de RVS kan pas worden afgewikkeld zodra er sprake is van een medische eindtoestand. Pas daarna kan een zelfstandig schadebesluit worden genomen over eventuele restschade. Nu eiser nog geen beroep heeft gedaan op de RVS kan restschade nog niet worden aangetoond en is het verzoek om een zuiver schadebesluit onvolledig. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Verweerder voegt aan het primaire besluit toe dat hij met dit besluit niet wil aangeven dat hij niet bereid is eventuele restschade te vergoeden. Daar is de RVS voor bedoeld. Zodra duidelijk is wat eisers definitieve invaliditeitspercentage is, kan in overleg worden bezien wat eventuele restschade is.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Samengevat houdt het besluit in dat het bestaan van restschade nog niet aannemelijk gemaakt kan worden, omdat ten aanzien van eiser nog geen besluit op basis van de RVS is genomen. Dit is eerst mogelijk indien bij eiser een medische eindtoestand is vastgesteld.
Het enkel vragen om erkenning van aansprakelijkheid zonder dat duidelijk is over welke restschade het gaat, is niet mogelijk, althans dat leidt niet tot een verplichting van verweerder om twee besluiten te nemen, eerst een besluit over de aansprakelijkheid en vervolgens een besluit over de al dan niet te vergoeden restschade.
Voorts wordt eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat eisers situatie niet gelijk is aan de gevallen bedoeld in de brief van 23 augustus 2016 van de Minister van Defensie.
4. Eiser stelt op hierna te bespreken gronden dat verweerder op zijn verzoek wel een inhoudelijk besluit over de aansprakelijkheid voor restschade had moeten nemen.
5. Het juridisch kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
6.1.
Ter zitting heeft eiser gesteld dat het verweerschrift buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het te laat is ingediend. De rechtbank ziet geen grond om het op 6 april 2021 bij de rechtbank ingekomen verweerschrift met twee bijlagen buiten beschouwing te laten. Hoewel het verweerschrift met de bijlagen in strijd met artikel 8:58, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht binnen tien dagen voor de zitting is ingekomen, is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende tijd heeft gehad om zich voor te bereiden om ter zitting op het verweerschrift en de bijlagen te kunnen reageren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bijlagen bij de gemachtigde van eiser bekend waren of konden zijn. De rechtbank acht daarom de goede procesorde niet geschonden.
6.2.
Vast staat dat verweerder (nog) geen besluit heeft genomen op grond van de RVS over de door eiser geleden schade. Dit was niet mogelijk, omdat bij eiser ten tijde van het bestreden besluit nog geen medische eindtoestand was vastgesteld. Eiser stelt dat desondanks nu reeds sprake is van restschade, die door verweerder op grond van de RVS niet vergoed zal worden. Eiser stelt met een beroep op de uitspraak van de CRvB van 12 december 2013 dat verweerder een besluit over de aansprakelijkheid voor deze restschade dient te nemen, omdat hij voldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan op voorhand niet onaannemelijk is dat bedoelde restschade door eiser is of zal worden geleden. De precieze omvang van de schadevergoeding hoeft nog niet geconcretiseerd te zijn, waarbij tevens van belang is dat een schadevordering kan verjaren.
Eiser stelt verder dat vaststaat dat hij geen aanspraak kon maken op grond van de RVS, omdat bij hem nog geen medische eindtoestand was vastgesteld. Ook staat vast dat hij geen recht heeft op een Bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV), zodat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij immateriële schade heeft als restschade. Zelfs wanneer hij in de toekomst wel aanspraak maakt op schadevergoeding op grond van de RVS staat vast dat hij niet alle restschade vergoed krijgt. Immers, op grond van de (toelichting bij de) UVS wordt niet de wettelijke rente vergoed vanaf het moment dat de schade is geleden. Ook is in artikel 5, tweede lid van, de UVS een beperking aangebracht in de hoogte van de te vergoeden buitengerechtelijk kosten. Daarbij is het slagen van een beroep op de hardheidsclausule van de UVS zeer onzeker. Deze twee posten zouden bij toepassing van het civiele recht wel vergoed worden en vormen dus zijn restschade.
6.3.
Volgens vaste rechtspraak heeft de ambtenaar – voor zover dit niet al voortvloeit uit de van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften – recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.
6.4.
De rechtbank stelt voorop dat eiser, wanneer hij een medische eindtoestand heeft bereikt, op grond van artikel 11a, tweede lid, van het Besluit AO/IV recht heeft op volledige schadevergoeding. Uit de tekst van deze bepaling en de Nota van Toelichting blijkt dat met dit artikel is beoogd volledige schadevergoeding toe te kennen overeenkomstig het civiele recht. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de situatie dat op voorhand niet onaannemelijk is dat schade resteert, zich hier niet voordoet. Het staat immers nog niet vast dat de schadevergoeding, die eiser toekomt op grond van de voorliggende rechtspositionele voorziening, namelijk de RVS, niet volledig is, omdat verweerder daarover nog geen besluit heeft genomen. Daarbij is ook van belang dat de Commissie bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de UVS (CAVS) nog geen standpunt heeft ingenomen over de tussen partijen bestaande geschilpunten. Indien eiser van mening is dat bij het ten aanzien van hem nog te nemen besluit op grond van de RVS niet zijn volledige schade wordt vergoed, kan hij tegen dat besluit rechtsmiddelen aanwenden. Zijn stelling dat de UVS ten onrechte niet de volledige schade dekt, kan eiser in het kader van die rechtsmiddelen aanvoeren.
Dat eiser niet in aanmerking komt voor een BIV stond ten tijde van het bestreden besluit niet vast, nu bij eiser op dat moment nog geen medische eindtoestand was vastgesteld. Ook stond nog niet vast dat eiser op grond van de RVS niet in aanmerking komt voor immateriële schadevergoeding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. M.J.L. van der Waals, lid, en commodore (tit.) b.d. mr. P.T. Heblij, militair lid, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2021.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
BIJLAGE
Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen
Artikel 11a
1. De reservist die op of na 1 juli 2007 is ontslagen of de dienstplichtige wiens dienstplicht op of na 1 juli 2007 is geëindigd en bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld na het bereiken van een medische eindtoestand, heeft recht op een volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge daarvan lijdt. In afwijking van artikel 2, derde lid, is hiervoor niet een mate van invaliditeit van ten minste 10% vereist.
2. De reservist die voor 1 juli 2007 is ontslagen of de dienstplichtige wiens dienstplicht op of na (lees: voor) 1 juli 2007 is geëindigd en bij wie als gevolg van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie op een daartoe op of na 1 juni 2012 gedane eerste aanvraag, invaliditeit met dienstverband is vastgesteld na het bereiken van een medische eindtoestand, heeft recht op een volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge daarvan lijdt. In afwijking van artikel 2, derde lid, is hiervoor niet een mate van invaliditeit van ten minste 10% vereist.
3 Bij de vaststelling van de omvang van de volledige schadevergoeding wordt rekening gehouden met de aanspraken op grond van de militaire rechtspositie en andere uitkeringen welke in verband staan met de invaliditeit met dienstverband, uitgezonderd de bijzondere invaliditeitsverhoging.
4 De aanspraak op een schadevergoeding ingevolge het eerste en tweede lid, wordt eenmalig vastgesteld en, in afwijking artikel 15 vierde en vijfde lid, niet meer aangepast.
5 Onze Minister kan nadere voorschriften geven ten aanzien van de uitvoering van dit artikel.
Uitvoeringsregeling volledige schadevergoeding (UVS)
Artikel 2. Aanvullend karakter
1. De volledige schadevergoeding is een aanvulling op andere pensioenen, uitkeringen, voorzieningen en verstrekkingen die ten aanzien van de schade zijn en worden verstrekt aan de belanghebbende.
2 Aangezien voorzieningen en verstrekkingen op basis van de Voorzieningenregeling militaire oorlogs- en dienstslachtoffers een volledig schade dekkend karakter hebben vindt daarop geen aanvulling plaats.
3 De hoogte van de volledige schadevergoeding wordt, voor zover niet anders bepaald, vastgesteld aan de hand van de Afdelingen 10 en 11 van titel 1, boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3. Overleg
De Minister en de belanghebbende, indien gewenst bijgestaan door een raadsman, voeren overleg over de vaststelling van de schade, de uitgangspunten van de schadeberekening en de hoogte van de schadevergoeding. Indien in dit overleg overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van de schadevergoeding wordt deze door de Minister overeenkomstig vastgesteld en toegekend.
Artikel 4. Richtlijnen en procedure
1. Indien het overleg, bedoeld in artikel 3, niet leidt tot overeenstemming over de berekening van het schadebedrag, maar wel over de aan de schadeberekening ten grondslag liggende uitgangspunten, wordt met inachtneming van die uitgangspunten de schade berekend. Deze berekening wordt verricht door een na overleg met de belanghebbende door de Minister aangewezen onafhankelijk rekenbureau. Vervolgens kent de Minister de belanghebbende de aldus vastgestelde schadevergoeding toe.
2 Indien belanghebbende en de Minister geen overeenstemming bereiken over de vaststelling van de schade en de aan de schadeberekening ten grondslag liggende uitgangspunten, wordt – tenzij belanghebbende te kennen geeft de aanvraagprocedure niet verder te willen vervolgen – advies gevraagd over de uitgangspunten aan een door de Minister ingestelde commissie. Deze commissie bestaat uit een onafhankelijk voorzitter, niet werkzaam voor het Ministerie van Defensie en twee leden waarvan één lid wordt benoemd op voordracht van de centrales van overheidspersoneel. De commissie wordt ondersteund door een ambtelijk secretaris.
3 Tenzij de Minister zwaarwegende redenen ziet om van het advies, bedoeld in het tweede lid, af te wijken, kent hij de volledige schadevergoeding toe overeenkomstig het advies over de uitgangspunten van de schadeberekening. De volledige schadevergoeding wordt eenmalig vastgesteld en uitbetaald.
Artikel 5. Buitengerechtelijke kosten
1. De kosten van een raadsman voor het vaststellen van de omvang van de schadevergoeding komen voor vergoeding in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op de indiening en onderbouwing van het verzoek om volledige schadevergoeding, alsmede op de beoordeling, voorafgaand aan het primaire besluit, van de door de Minister voorgestelde vergoeding.
2 De kosten van een raadsman worden vergoed tot het maximum uurtarief zoals is vastgesteld in de Regeling tegemoetkoming kosten rechtskundige hulp met een maximum van € 7.500,–.
3 De kosten, verbonden aan het doen verrichten van noodzakelijke medische en arbeidskundige onderzoeken en het inschakelen van deskundigen of getuigen, worden op verzoek vergoed tot een maximum van € 5.000,– per onderzoek.
4 Overige kosten komen niet in aanmerking voor een tegemoetkoming.
Artikel 6. Hardheidsclausule
De Minister kan van in deze regeling bedoelde maximumbedragen of hoogte van vastgestelde schade afwijken indien toepassing hiervan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
ECLI:NL:CRVB:2013:2809
Nota van toelichting bij het Besluit van 19 juni 2014 tot wijziging van de bepalingen inzake volledige schadevergoeding voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers en voor slachtoffers van bedrijfsongevallen onder militaire en onder burgerambtenaren van Defensie alsmede tot invoering van een <<ereschuldregeling>> voor veteranen, Staatsblad 2014, 251.
ECLI:NL:CRVB:2015:834 r.o. 3.2.2.
Tweede Kamer vergaderjaar 2015-2016, 30 139, nr. 165
Tweede Kamer vergaderjaar 2015-2016, 30 139, nr. 163
Met ingang van 17 januari 2020 worden met een generieke toepassing van de hardheidsclausule alle kosten van een raadsman tot en met € 10.000,- nog slechts op redelijkheid beoordeeld.