Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-10-06
ECLI:NL:RBDHA:2021:16599
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,795 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.15092 en NL21.15093
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 6 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: N. Hamzaoui).
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2021. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser is geboren op [1996] en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Hij is afkomstig uit het door Marokko bestuurde deel van de Westelijke Sahara en behoort tot de Sahrawi. Door zijn herkomst kan hem in het land van herkomst niet de medische hulp worden geboden die hij nodig heeft.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. Identiteit en nationaliteit;
2. De herkomst van betrokkene en de daaruit voortvloeiende problemen.
Verweerder acht element 1 geloofwaardig. Element 2 wordt niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft bovendien met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat Marokko, in zijn geval, niet kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst. Daarom heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan eiser is een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
5. Bij brief van 29 september 2021 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser geen belang meer heeft bij de procedure, omdat uit het registratiesysteem van verweerder blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank begrijpt dit standpunt, maar behandelt de zaak wel inhoudelijk. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 4 oktober 2021 namelijk laten weten nog contact te kunnen onderhouden met eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser ten aanzien van zijn herkomst en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 19 maart 2019 overwogen dat Marokko terecht is aangewezen als veilig land van herkomst. Dit is tot op heden niet gewijzigd en eiser valt daarnaast niet onder de uitzonderingscategorieën voor wie dit niet geldt. Daarnaast heeft eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat Marokko in zijn geval niet
als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt en verdragsverplichtingen jegens hem worden geschonden. Ten aanzien van het asielrelaas heeft verweerder terecht geconstateerd dat er diverse tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser zitten met betrekking tot zijn geboorteplaats en zijn woonplaatsen in Marokko. Zijn herkomst uit de Westelijke Sahara heeft eiser niet met documenten onderbouwd en hij kan er slechts vaag en oppervlakkig over verklaren. Van eiser mag worden verwacht dat hij duidelijke verklaringen kan afleggen over zijn herkomst, omdat hij daar zijn hele leven zou hebben gewoond. De stelling dat eiser geheugenproblemen heeft door een de klap op zijn hoofd is niet onderbouwd en acht de rechtbank daarom onvoldoende om de genoemde tegenstrijdigheden te verklaren. Daarnaast heeft eiser niet coherent verklaard over het (al dan niet) in bezit zijn van documenten. Ten aanzien van de gestelde discriminatie in het land van herkomst heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij op school heeft gezeten en dat er medische voorzieningen zijn zolang je ervoor betaalt, maar
1. ECLI:NL:RVS:2019:902
dat dit ook voor andere Marokkanen geldt. Tot slot heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de verklaring van eiser over de mishandeling door militairen bij een demonstratie niet overeenkomt met de verklaring die eiser heeft afgelegd bij het politieverhoor, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verhaal. Dit heeft eiser ook niet in beroep hersteld.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag kennelijk ongegrond kunnen verklaren. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en het opleggen van een inreisverbod af te zien, omdat eiser de aangevoerde omstandigheden niet heeft onderbouwd.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.