Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2021:15807
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,993 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/8395 en AWB 20/8396
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 27 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1989, van Roemeense nationaliteit, eiser/verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M.E Disselkamp).
Procesverloop
Bij besluit van 3 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser/verzoeker (eiser) geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen 28 dagen Nederland moet verlaten.
Bij besluit van 16 april 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Op 2 april 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (hierna: deze rechtbank) eisers beroep (AWB 19/3746) tegen het besluit van 16 april 2019 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen de vaderrol van eiser te betrekken bij zijn belangenafweging omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser in gezinsverband woonde met zijn kinderen en een rol als vader heeft.
Bij besluit van 15 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen.
2. Deze rechtbank heeft in de uitspraak van 2 april 2020 geoordeeld dat verweerder op grond van de delicten waarbij eiser betrokken is geweest aanleiding mocht zien om een onderzoek op te starten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat verweerder eiser terecht niet als werkzoekende heeft aangemerkt. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser op geen enkele manier heeft onderbouwd dat hij werk en inkomen heeft gehad en dat uit de overlegde stukken blijkt dat eiser geen inkomen heeft, financiële problemen heeft, naar de voedselbank gaat en financiële steun krijgt van familie. Verder heeft de rechtbank bij zijn oordeel betrokken dat eiser niet heeft aangetoond dat hij werk aan het zoeken is, of voor werk staat ingeschreven en dat verweerder het feit dat eiser gedetineerd is geweest en daarom niet aan bewijs kon komen onvoldoende heeft mogen vinden. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser daarom in beginsel niet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) voldoet.
3. Verweerder blijft in het bestreden besluit bij zijn standpunt dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad op grond van artikel 8.12 van het Vb. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt. Verweerder heeft bij zijn belangenafweging de duur van eisers verblijf, de banden met Nederland en Roemenië, de gezinssituatie, eisers leeftijd, de mate van integratie en het beroep op voorzieningen zoals de duur, frequentie, omvang en reden hiertoe, in aanmerking genomen. Verweerder stelt dat eiser niet de biologische vader is van de kinderen, geen gezag heeft, niet staat geregistreerd als ouder en hen niet heeft erkend. Van een officiële relatie of samenwoning met de moeder is niet gebleken. Uit de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 maart 2020 en Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond van 9 maart 2020 blijkt niet dat eiser als vader betrokken is bij de kinderen.
Mocht verweerder onderzoek doen?
4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van zijn verblijf.
5. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank waarin een eerder besluit is vernietigd, tot gevolg heeft dat de rechtbank mag uitgaan van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over de beroepsgronden als deze gronden al eerder zijn aangevoerd en uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Slechts nieuwe feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond rechtvaardigen. In de uitspraak van 2 april 2020 heeft deze rechtbank de hiervoor genoemde beroepsgronden van eiser al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. De rechtbank heeft in die uitspraak immers al geoordeeld dat verweerder op grond van de delicten waarbij eiser betrokken is geweest aanleiding mocht zien om een onderzoek op te starten. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn standpunt in deze procedure heeft herhaald en geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die een nieuwe beoordeling van deze beroepsgrond rechtvaardigen.
Had eiser rechtmatig verblijf?
6. Eiser voert verder aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als werkende of werkzoekende. Dat hij zijn werkzaamheden op de markt niet kan onderbouwen, betekent niet dat hij geen werkzaamheden heeft uitgevoerd. Hij heeft immers geen beroep gedaan op sociale voorzieningen. Ook is eiser tijdelijk in detentie geweest waardoor het niet mogelijk was werk te vinden. Verder stelt eiser dat hij in de kliniek geen sollicitatiebrieven kan verzenden, maar dat hij daar wel arbeidsvaardighedentrainingen volgt. Eiser overlegt verschillende getuigenschriften die aantonen dat hij deze trainingen heeft gevolgd. Eiser stelt dat hij in de kliniek actief wordt begeleid bij het vinden van werk. Volgens eiser had verweerder artikel 8.12, eerste lid, onder a, van het Vb en artikel 8.16, tweede lid, van het Vb moeten toepassen. In de aanvullende gronden van 16 maar 2021 stelt eiser dat hij wel degelijk over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. Het is daarom aan verweerder om te weerleggen dat eiser niet over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. Eiser stelt subsidiair dat het in strijd is met het evenredigheidsbeginsel om van een gedetineerde te verlangen werk te zoeken of te hebben. Eiser kon immers vanwege zijn detentie geen bewijsmiddelen aanleveren over het hebben of zoeken naar werk. Eiser verzoekt de rechtbank om een prejudiciële vraag te stellen om duidelijkheid te krijgen over de vraag of, en in hoeverre en hoe lang een Unieburger de status als werknemer behoudt indien de burger zich in detentie bevindt.
7. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank in de uitspraak van 2 april 2020 niet heeft beoordeeld of eiser als werkende kan worden aangemerkt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt vijf getuigschriften, het trajectplan van de Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD) van 2 oktober 2020 en de voortgangsrapportage van Ipse de Brugge van 25 januari 2021 (voortgangsrapportage) overgelegd. Uit de getuigschriften, het trajectplan en de voortgangsrapportage blijkt niet dat eiser heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn het trajectplan en de voortgangsrapportage immers geen objectieve bewijsmiddelen omdat deze stukken op basis van de eigen verklaringen van eiser zijn opgesteld. Deze stukken hebben dan ook niet de bewijskracht die eiser er aan toekent. Verweerder heeft eiser daarom terecht niet als werkende aangemerkt. Dat eiser nooit een beroep heeft gedaan op sociale voorzieningen betekent niet zonder meer dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikte. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen omdat uit het voorgaande volgt dat eiser niet als werkende kan worden aangemerkt. Verder stelt de rechtbank vast dat in de uitspraak van 2 april 2020 deze rechtbank heeft geoordeeld dat eiser niet als werkzoekende kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de vijf getuigschriften nieuwe stukken overgelegd. Uit deze stukken blijkt echter niet dat eiser werk zoekt of heeft gezocht. Dat eiser in de kliniek arbeidsvaardighedentrainingen volgt is onvoldoende om te concluderen dat eiser naar werk zoekt. De mogelijk toekomstige plannen van eiser om met begeleiding werk te zoeken, maakt niet dat eiser ten tijde van het bestreden besluit een reële kans op werk op korte termijn had. Verweerder heeft eiser daarom terecht niet als werkzoekende aangemerkt. De beroepsgrond faalt.
Mocht verweerder een verwijderingsbesluit nemen?
8. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd omdat onduidelijk is of de verwijderingsmaatregel is opgelegd omdat hij een onredelijke belasting is op het sociale bijstandstelsel of omdat hij als een gevaar voor de openbare orde wordt gezien. Daarnaast stelt eiser dat verweerder geen verwijderingsbesluit mocht nemen vanwege artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn omdat hij tien jaar in Nederland verblijft.
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het onduidelijk is op welke grondslag de verwijderingsmaatregel is opgelegd. Op bladzijde drie van het bestreden besluit staat immers dat de maatregel wordt opgelegd omdat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om in zijn onderhoud te voorzien. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat indien een Unieburger geen verblijfsrecht kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn, deze persoon in beginsel onderworpen kan worden aan een verwijderingsmaatregel, ook als deze persoon geen beroep heeft gedaan op het sociale bijstandsstelsel. Artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn is in de onderhavige procedure dus niet van belang.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is uitgesproken op 27 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 6 april 2020 (AWB 19/3746) r.o. 7 en 9.
Uitspraak van de ABRvS van 25 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV3728).
Uitspraak van de ABRvS van 25 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2503); uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 9 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:14351) r.o. 6.1.
Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 17 juni 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6717) r.o. 8.2.2.
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68.
Uitspraak van de ABRvS van 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3585) r.o. 3.4; uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 9 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:14351) r.o. 6.4.
Uitspraak van de ABRvS van 21 februari 2019 (ECLI: NL:RVS: 2019:567).