Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-03-09
ECLI:NL:RBDHA:2021:15550
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,387 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.3007
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.M. van Duren).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer J. Emma's . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1990 .
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Ter zitting heeft verweerder de lichte grond onder 4d laten vervallen.
De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van grond 3a en 3k niet betwist. Eiser voert namelijk aan dat hij niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en geen medewerking verleent aan zijn overdracht, omdat hij asielzoeker is en de situatie in Italië vreest.
4. De rechtbank oordeelt dat de feitelijke juistheid van de zware gronden onder 3a en 3k voldoende uit de motivering van de maatregel van bewaring blijkt. Het feit dat eiser als asielzoeker Nederland binnenkwam maakt dit niet anders. De twee gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring al dragen.3 De beroepsgrond slaagt daarom niet en de rechtbank laat de overige geschilpunten over de gronden van de bewaring onbesproken.
Ambtshalve toetsing van de maatregel
5. Eiser voert verder aan dat de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 december 2020, de maatregel van bewaring ambtshalve moet toetsen.
6. In de verwijzingsuitspraak van 23 december 20204 heeft de ABRvS de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gesteld of het Unierecht de rechtbank verplicht ambtshalve de rechtmatigheid van alle voorwaarden voor bewaring te toetsen. Het Hof van Justitie heeft deze vraag nog niet beantwoord.
7. De rechtbank constateert dat nog niet vast staat of het Unierecht de rechtbank verplicht ambtshalve de rechtmatigheid van alle voorwaarden voor bewaring te toetsen, en zo ja, hoe die toetsing er dan uit zou moeten zien. In het licht van de verwijzingsuitspraak van de ABRvS, redeneert de rechtbank als volgt. Als de rechtbank zich ten volle bewust is van het feit dat de maatregel onrechtmatig is, dat de vreemdeling als gevolg daarvan ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd en dat deze situatie zal voortduren, zal zij deze onrechtmatigheid in haar oordeel betrekken, ook als daar geen grond tegen is gericht. In deze zaak is echter niet gebleken dat er sprake is van een dergelijke onrechtmatigheid.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3 Zie in dit kader de uitspraak van de ABRvS van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
4 ECLI:NL:RVS:2020:3034
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 maart 2021
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.