Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-11-24
ECLI:NL:RBDHA:2021:15451
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,562 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/3481
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
de minister voor Rechtsbescherming, verweerder
(gemachtigden: mr. T. Gillhaus en mr. M.J.A. Hanhart).
Procesverloop
Bij besluiten van 30 oktober 2019, 4 december 2019 en 16 januari 2020 heeft verweerder eisers verzoek om inzage van zijn persoonsgegevens en die van zijn zoon, gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de door verweerder met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht ingediende stukken, nadat eiser daarvoor toestemming heeft verleend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2021.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verder was mr. [A] aanwezig voor verweerder.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over ?
1.1.
Deze zaak heeft een lange voorgeschiedenis. Eiser heeft een minderjarige zoon samen met zijn voormalig echtgenote. Er zijn verschillende gerechtelijke procedures gevoerd tussen eiser en zijn voormalig echtgenote over het ouderlijk gezag over hun zoon. Eiser heeft als gevolg van een beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 25 april 2012 het eenhoofdig gezag verkregen. In deze procedures zijn verschillende beschuldigingen geuit door de voormalig echtgenote van eiser, die verband houden met zijn strafrechtelijke verleden en die onderwerp zijn geweest van onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De voormalig echtgenote van eiser voert een civiele procedure tegen de Raad omdat ze van mening is dat die in dit verband geen deugdelijk onderzoek heeft verricht. Ook loopt er nog een strafrechtelijke procedure tegen de voormalig echtgenote van eiser omdat zij hem vals zou hebben beschuldigd.
1.2.
De hoogste bestuursrechter heeft in april 2019 uitspraak gedaan over een eerder verzoek van eiser om inzage van zijn persoonsgegevens. In deze zaak vraagt eiser inzage van de persoonsgegevens van hem en zijn zoon dan wel verstrekking van afschriften van de documenten die deze persoonsgegevens bevatten. Het gaat hem om de gegevens die de Raad – waarvoor verweerder verantwoordelijk is – sinds maart 2010 heeft gebruikt en nog gebruikt in stukken, procedures, verslagen en rapporten.
Wat zijn de regels ?
2.1.
Op het verzoek is de AVG van toepassing. De AVG vervangt sinds 25 mei 2018 de Wet bescherming persoonsgegevens. In artikel 15 van de AVG is het recht van inzage van de betrokkene geregeld in de persoonsgegevens die hem betreffen. In artikel 23 van de AVG en artikel 41 van de UAVG staan de beperkingen op het inzagerecht vermeld.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep ?
3.1.
Eiser is het er niet mee eens dat verweerder niet alle stukken waar zijn verzoek op ziet, heeft overgelegd. Ook vindt eiser dat hij recht heeft op kennisneming van de informatie over hem en zijn zoon die verweerder in welke vorm of context dan ook gebruikt heeft en nog gebruikt. Eiser wil inzage in het civiele procesdossier in de zaak tussen verweerder en zijn voormalig echtgenote, het onderzoeksrapport van recherchebureau Hoffman B.V. naar aanleiding van een mogelijke integriteitsschending bij het Ministerie van verweerder en een aantal met name genoemde documenten. Hij vindt dat verweerder deze stukken aan hem moet verstrekken. Eiser verwijt verweerder onrechtmatig handelen in onder meer de kwestie van het gezag over zijn zoon door de wijze waarop verweerder om is gegaan met de valse beschuldigingen van zijn voormalig echtgenote. Eiser wil - naast inzage in de persoonsgegevens van hemzelf en zijn zoon - een oordeel van de rechtbank over de vraag in hoeverre verweerder met een beroep op de AVG de door derden aangevoerde ’zorgen’ en ‘aantijgingen’ over een persoon tegenover die persoon verborgen mag houden. Hierbij is van belang dat eiser, ondanks het feit dat gezaghebbende instanties als het Openbaar Ministerie en verschillende rechters de beschuldigingen van zijn voormalig echtgenote van de hand hebben gewezen, hierdoor nog steeds achtervolgd wordt bij zijn contacten met de Raad of de Jeugdbescherming, terwijl hij geen inzage krijgt in de meldingen van zijn voormalig echtgenote en de wijze waarop de Raad daar intern mee omgaat. Volgens eiser is dit een structureel probleem in de wijze waarop de Raad en de Jeugdbescherming omgaan met hun maatschappelijke taak.
3.2.
Verweerder vindt dat met de inzage in het kinddossier aan het verzoek is voldaan. Daarnaast zijn aan eiser -onverplicht- afschriften verstrekt van andere stukken waar eiser om heeft gevraagd. Ook heeft verweerder, als afgifte niet mogelijk was, eiser zo goed als mogelijk geïnformeerd over de inhoud van relevante stukken. Omdat eiser geen procespartij is in de civiele procedure tussen zijn voormalig echtgenote en de Staat, kan hij van deze processtukken geen afschrift krijgen. Van het bezoek aan het Dok is geen verslag gemaakt en het rapport van Black Swan Forensics is niet meer in het bezit van verweerder. Andere stukken zijn er niet. Inzage in het onderzoeksrapport van recherchebureau Hoffman B.V. is geweigerd omwille van de rechten van vrijheden van derden.
Wat is het oordeel van de rechtbank ?
4.1.
De rechtbank ziet in dat de confrontatie van eiser -gedurende het lange traject met zijn voormalig echtgenote en de Raad- met steeds nieuwe meldingen die terug te voeren zijn op zijn verleden, diep ingrijpt in zijn persoonlijk leven. De rechtbank begrijpt dat eiser er in alles aan wil doen om er voor te zorgen dat de persoonsgegevens van hem en van zijn zoon correct geregistreerd staan en op de juiste wijze verwerkt worden.
AVG
4.2.
De rechtbank dient dit geschil te beoordelen binnen het wettelijk kader van de AVG. Het inzagerecht op grond van de AVG heeft tot doel een betrokkene in staat te stellen zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en de juistheid en de rechtmatigheid daarvan te controleren. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de AVG niet tot doel heeft de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. Daarnaast is het recht op bescherming van persoonsgegevens niet absoluut. De AVG is een instrument om te kijken naar de verwerking van persoonsgegevens en te bezien of deze op een correcte manier zijn verwerkt.
Afbakening
4.3.
Eiser heeft ter zitting gezegd dat verweerder zijn verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om enkel inzage in dan wel afschrift van de stukken in het kinddossier over zijn zoon. Het woord kinddossier komt in zijn verzoek ook niet voor, aldus eiser. Zijn AVG-verzoek moet het uitgangspunt zijn. Nu eiser meerdere keren – voor het laatst op 13 februari 2020 – inzage heeft gehad in het kinddossier en ter zitting heeft aangegeven dat zijn verzoek in het bijzonder gericht is op de andere door hem specifiek aangeduide stukken, hoeft de rechtbank niet in te gaan op de gestelde onvolledigheid van het kinddossier zoals eiser dat voor het laatst heeft ingezien.
4.4.
Het uitgangspunt in bestuursrechtelijke procedures is dat de rechter de situatie toetst zoals deze was ten tijde van het bestreden besluit. Dit betekent dat voor zover eiser in zijn beroepschrift, in de nadere stukken voorafgaand aan de zitting en tijdens de zitting nieuwe verzoeken heeft gedaan en onderwerpen heeft aangekaart, deze niet kunnen worden meegenomen in de beoordeling, nog afgezien van de vraag of deze verzoeken en onderwerpen binnen het bereik van de AVG vallen. In het bijzonder geldt dit voor de in de pleitnota van eiser aangehaalde interne documenten over de publicatie in het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht over zijn zaak en de nieuwe documenten over een raadsonderzoek in de periode van 2019-2021.
4.5.
Ter zitting heeft eiser in zijn pleitnota de documenten waar zijn AVG-verzoek betrekking op heeft, onderverdeeld in vier clusters (processtukken van verweerder in civiele procedures over eiser en zijn zoon, interne documenten over een door bureau Hoffman onderzochte melding van een integriteitsschending en een aantal specifieke documenten met betrekking tot het Dok-overleg, Black Swan Forensics en de zitting van 25 januari 2017).
Procesdossier
4.6.
Eiser heeft inzage gevraagd in de persoonsgegevens van hem en zijn zoon in de processtukken uit de civiele procedure(s) tussen zijn voormalig echtgenote en verweerder.
Conclusie
5.1
Zoals hiervoor onder 4.1 overwogen begrijpt de rechtbank het belang van eiser en is invoelbaar dat hij zoveel mogelijk informatie wenst om zich te kunnen verweren tegen nieuwe meldingen, in onderzoeken van de Raad of in rechtszaken die nog lopen. De AVG strekt echter niet zover als eiser wenst in dit verband. Daar komt bij dat diezelfde AVG ook de belangen van zijn voormalig echtgenote beschermt en de ruimte biedt aan medewerkers van verweerder om in vrijheid te overleggen over de taken die zij op grond van de wet moeten uitvoeren, ook als dit persoonsgegevens van eiser en zijn zoon betreft. Het feit dat in het verleden wellicht fouten zijn gemaakt bij de verwerking van persoonsgegevens door verweerder of meldingen te kwader trouw zijn gedaan door eisers voormalig echtgenote, en de frustratie die hierdoor bij eiser is veroorzaakt, veranderen deze waarborgen van de AVG niet.
5.2
Het beroep is ongegrond. Wat eiser meer of anders naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. De stukken die eiser na sluiting van het onderzoek heeft ingezonden, vormen geen reden voor heropening.
5.3
Omdat het bestreden besluit pas in beroep (in het verweerschrift en ter zitting) van een toereikende motivering is voorzien, concludeert de rechtbank dat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Aan dit gebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij gegaan, omdat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Verweerder heeft het motiveringsgebrek immers hersteld en de uitkomst is dezelfde.
5.4
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb is voor de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het griffierecht en de proceskosten vergoedt. Nu eiser de door hem opgegeven verletkosten niet nader heeft onderbouwd sluit de rechtbank aan bij het forfaitaire uurtarief (€ 7,-) en aantal uren (6). De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht daarmee vast op € 52,- (€ 10,- reiskosten en € 42,- verletkosten).
Dictum
De rechtbank
-verklaart het beroep ongegrond;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 52,-;
-bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 178,- aan eiser betaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, en mr. M.J.L. van der Waals en mr. P.T. Heblij, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2021.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak ?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1141.
Het inzageverzoek van 19 mei 2019 zoals na de bespreking op 14 oktober 2019 aangevuld met het verzoek over verslaglegging bezoek aan het Dok te Rotterdam en stukken rondom rapport Black Swan Forensics 2013
Algemene Verordening gegevensbescherming (AVG). Daarnaast is van toepassing de UAVG (Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming).
Forensisch psychiatrische polikliniek het Dok te Rotterdam
Zie bijvoorbeeld artikel 29, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1282.
Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 17 juli 2014 (ECLI:EU:C:2014:2081, AB 2014/365) over de omvang van het inzagerecht. Het HvJEU oordeelde dat de juridische analyse in asielzaken als zodanig geen persoonsgegeven is, omdat deze geen informatie vormt over de aanvrager en het niet op de weg van aanvrager ligt een dergelijke analyse te controleren op de juistheid ervan.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2180.
Artikel 23, lid 1, aanhef en onder i, AVG, artikel 41, lid 1, aanhef en onder i, UAVG en artikel 15, lid 4, AVG.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1278.
Overwegingen
Hij vindt dat hij recht heeft op deze stukken en wil weten welke (persoons)gegevens van hem en zijn zoon door verweerder in die procedure gebruikt zijn. Eiser vindt dat de rechtbank deze stukken bij verweerder had moeten opvragen.
4.7.
Ten aanzien van dit laatste punt merkt de rechtbank omwille van de duidelijkheid op dat de rechtbank niet zelf een beslissing neemt op het AVG-verzoek, maar het besluit van verweerder moet beoordelen. Dat betekent dat als verweerder inzage niet in de eerste plaats vanwege de inhoud, maar met name vanwege de aard (het behoren tot het civiele procesdossier) weigert, de rechtbank eerst moet beoordelen of dat juist is. Om voorafgaand daaraan de stukken op te vragen is in dit geval voorbarig, gelet op de motivering die daarvoor is gegeven. Pas als het standpunt van verweerder onjuist blijkt te zijn, zal verweerder een nader besluit moeten nemen over de vraag voor welke onderdelen van het procesdossier al dan niet recht op inzage bestaat en moet - als eiser het daar niet mee eens is – de rechtbank aan de hand van de betreffende stukken controleren of dat nadere besluit juist is. Om deze reden heeft de rechtbank de stukken niet opgevraagd. Zij zal nu beoordelen of het besluit van verweerder om het civiele procesdossier in het geheel niet aan eiser te verstrekken, terecht is.
4.8.
De hoofdregel in een gerechtelijke procedure is dat alleen procespartijen toegang hebben tot het procesdossier. Dit heeft de wetgever zo bepaald. Onder bijzondere omstandigheden is het mogelijk dat een derde kennis kan nemen van de standpunten van procespartijen. Dit dient van geval tot geval te worden beoordeeld. In deze zaak is van belang dat het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld heeft dat eiser niet kan worden toegelaten in de procedure tussen de voormalig echtgenote en de Staat en daarom niet de processtukken heeft gekregen.
4.9.
De rechtbank is het met verweerder eens dat met een beroep op de AVG niet kan worden bereikt dat een derde in een dergelijk geval alsnog inzage in of afschrift van een procesdossier krijgt waarbij hij geen partij is. Met de AVG is niet bedoeld een derde inzicht te verschaffen in de door partijen ingebrachte processtukken en andere informatie in een gerechtelijke procedure. Voorts is een juridische analyse volgens vaste jurisprudentie geen persoonsgegeven in de zin van de wet. Dit betekent niet dat het inbrengen van persoonsgegevens in gerechtelijke procedures nooit in strijd met de AVG, en dus onrechtmatig, kan zijn. Analoog met het oordeel van de hoogste bestuursrechter in een andere zaak die betrekking had op de Wet openbaarheid van bestuur, betekent het feit dat een persoonsgegeven voorkomt in een stuk dat deel uitmaakt van een procesdossier, op zichzelf niet dat de AVG op dat persoonsgegeven niet van toepassing is. Als er foutieve persoonsgegevens voorkomen in processtukken kan dat strijd opleveren met de AVG. De vraag is wat dit nu concreet voor deze zaak betekent. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat in de civiele procedure(s) van de Raad met de voormalig echtgenote van eiser niet meer of andere gegevens zijn ingebracht dan de gegevens uit het kinddossier. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk. Het gaat hierbij om gegevens die de Raad verwerkt in het kader van zijn wettelijke taak. Het kinddossier is de bron van informatie die gebruikt is voor de gerechtelijke procedure. Inzage en correctie van mogelijke fouten in de verwerking van persoonsgegevens moet dan ook in beginsel op het niveau van het kinddossier plaatsvinden bij de Raad en niet ten aanzien van het procesdossier van de door de Raad gevoerde civiele procedure. Wel kan – indien dit wordt verzocht – van verweerder in het kader van de AVG gevergd worden inzichtelijk te maken – bijvoorbeeld door het opstellen van een overzicht – welke persoonsgegevens uit het kinddossier door hem in een gerechtelijke procedure gebruikt dan wel verstrekt zijn. Dit is evenwel niet gelijk te stellen aan inzage in of verstrekking van (onderdelen van) het procesdossier. Verweerder heeft de inzage in het civiele procesdossier daarom mogen weigeren.
4.10
Eiser heeft tijdens de zitting als voorbeeld van een onjuiste vermelding van een persoonsgegeven in een processtuk waartegen hij volgens hem moet kunnen opkomen, verwezen naar een opmerking die is vastgelegd in het proces-verbaal van een zitting, namelijk dat hij een agressiebehandeling had ondergaan. De medewerker van de Raad heeft in dit verband toegelicht dat deze mededeling vermeld stond in een raadsrapport uit 2010, maar daarin later is gecorrigeerd, omdat het niet klopte. Op het moment dat zij in de civielrechtelijke procedure deze opmerking maakte, had zij van de correctie in het kinddossier geen kennis genomen. De rechtbank overweegt dat dit voorbeeld niet afdoet aan het oordeel zoals hiervoor onder overweging 4.9 gegeven. Het onderstreept veeleer dat het recht op inzage en correctie in dit verband moet worden gekoppeld aan persoonsgegevens opgenomen in het kinddossier, temeer nu verweerder het niet in zijn macht heeft een dergelijk proces-verbaal te (doen) corrigeren op het gewraakte punt. Indien vast komt te staan dat verweerder in een dergelijke procedure onjuiste, of op onjuiste wijze, persoonsgegevens heeft verstrekt en dat eiser hierdoor schade lijdt, dan bestaat ten slotte de mogelijkheid deze vergoed te krijgen op grond van artikel 82 van de AVG.
Onderzoeksrapport Hoffman
4.11
Eiser heeft inzage gevraagd in het rapport van bureau Hoffman dat onderzoek heeft gedaan naar een melding over een mogelijke integriteitsschending binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Verweerder heeft eiser een geanonimiseerde concept-nota opgestuurd, maar inzage in het onderzoeksrapport met bijbehorende bijlagen geweigerd. De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet het recht heeft om informatie onder alle omstandigheden geheim te houden als de rechten en vrijheden van anderen in het geding zijn. Dit dient per geval te worden beoordeeld. Na kennisneming van de vertrouwelijk overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat verweerder inzage in deze stukken gelet op de (onderzoeks)belangen van de Raad en bureau Hoffman en het privacybelang van de voormalig medewerker die de integriteitsmelding heeft gedaan, heeft mogen weigeren.
Overige stukken – MDO / zitting 2017
4.12
Eiser heeft inzage gevraagd in de verslagen van het multi-disciplinair overleg (MDO) dat heeft plaatsgevonden in het kader van raadsonderzoek over eiser en zijn zoon. Verweerder heeft bij herhaling gesteld dat er geen verslagen van het MDO worden gemaakt. De functie van het MDO is dat deze gesprekken in vrijheid gevoerd moeten kunnen worden en meningen vrij moeten kunnen worden geuit. Het is een bewuste keuze om geen verslagen te maken. Voor zover het MDO leidt tot besluiten of voorgenomen handelingen, worden deze gedocumenteerd in het kinddossier, aldus verweerder.
4.13
Volgens de hoogste bestuursrechter geldt dat als verweerder niet ongeloofwaardig ontkent dat er stukken zijn, degene die om informatie verzoekt aannemelijk moet maken dat deze stukken er toch zijn. De rechtbank vindt het, gelet op de toelichting van verweerder over de functie van het MDO, niet ongeloofwaardig dat er geen verslagen worden gemaakt en dat deze er dus niet zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder wel over deze verslagen beschikt.
4.14
Ter zitting is verder gebleken dat het eiser vooral gaat om informatie en verslaglegging daarvan in de periode van begin 2016 tot begin 2017, vanwege een bepaalde gebeurtenis. Zo zouden twee raadsonderzoekers begin 2017, tegen de eerder met eiser in april 2016 gemaakte afspraak in, op een zitting van het Gerechtshof zijn verschenen. Volgens eiser moet er een document zijn waarin deze beslissing en de overwegingen daarvoor zijn vastgelegd.