Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-08-11
ECLI:NL:RBDHA:2021:12615
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,833 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 20/5817 en SGR 20/5821
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder
(gemachtigde: J.Y. van den Berg).
en in de zaak tussen
[eiser] als erfgenaam van wijlen [A] (echtgenote van eiser), te Den Haag, eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder
(gemachtigde: J.Y. van den Berg).
Procesverloop
in de zaak met nummer SGR 20/5817:
In het besluit van 20 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om herziening van zijn pensioenuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen.
In het besluit van 3 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
in de zaak met nummer SGR 20/5851
In het besluit van 20 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van de echtgenote van eiser om herziening van haar pensioenuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen.
In het besluit van 3 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de echtgenote van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
De echtgenote van eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
in beide zaken:
Eiser heeft bij brief van 11 februari 2021 laten weten dat zijn echtgenote in januari 2021 is overleden en dat hij de procedures voor zichzelf en als erfgenaam van zijn echtgenote voortzet. Tevens heeft hij op het verweerschrift gereageerd.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek in beide zaken gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiser en zijn echtgenote waren sinds 1969 gehuwd. Sinds 2008 hadden zij niet meer het hoofdverblijf in dezelfde woning, maar hadden zij een LAT-relatie.
1.2.
Eiser heeft in april 2012 een AOW-pensioen aangevraagd. In zijn aanvraag heeft hij vermeld dat hij gehuwd is maar dat hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft. In een daarop door verweerder toegezonden formulier ‘onderzoek woonsituatie’ heeft eiser opgegeven dat hij en zijn echtgenote apart wonen, dat zij samen activiteiten ondernemen (op bezoek gaan bij/ het ontvangen van familie en/of vrienden, boodschappen doen, uitstapjes maken en vakantie), dat zij elkaar bij ziekte verzorgen en dat hij een bijdrage levert in de kosten van levensonderhoud van zijn echtgenote, Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 24 mei 2012 aan eiser per oktober 2012 een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde toegekend. Tegen dit besluit heeft eiser destijds geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3
Bij besluit van 2 november 2011 heeft verweerder aan de echtgenote van eiser per maart 2012 een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde toegekend. Tegen dit besluit heeft de echtgenote van eiser destijds geen rechtsmiddelen aangewend.
1.4.
Op 3 april 2020 heeft eiser samen met zijn echtgenote verzocht om herziening van hun AOW-pensioen in die zin dat zij beiden met terugwerkende kracht en voor de toekomst in aanmerking willen komen voor een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde. Bij de primaire besluiten heeft verweerder de herzieningsverzoeken afgewezen en die afwijzing in de bestreden besluiten gehandhaafd.
2. De bestreden besluiten berusten op het standpunt dat er – ten opzichte van de toekenning van het AOW-pensioen van eiser, respectievelijk de echtgenote van eiser, waarbij verweerder heeft vastgesteld dat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven – geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Ook is verweerder van mening dat er geen sprake is van een onmiskenbaar onjuist toekenningsbesluit. Eiser en zijn echtgenote hebben volgens verweerder, gezien de beschikbare gegevens, ook geen recht op een AOW-pensioen voor ongehuwden met ingang van de maand waarin het herzieningsverzoek is ingediend.
3. Eiser kan zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voert – kort en zakelijk weergegeven – aan dat hij en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden en dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij geen ‘afzonderlijk leven leidden alsof er geen huwelijk was’. De beperkte uitleg die verweerder aan ‘duurzaam gescheiden leven’ als genoemd in artikel 1, derde lid van de Algemene Ouderdomswet geeft, is volgens eiser niet correct en in strijd met het verbod op discriminatie. Eiser heeft aangevoerd dat de oorspronkelijke toekenningsbesluiten onmiskenbaar onjuist zijn en dat het herzieningsverzoek in ieder geval voor de toekomst integraal moet worden beoordeeld.
4. Bij de beoordeling maakt de rechtbank onderscheid tussen het verzoek om herziening voor het verleden en het verzoek om herziening voor de toekomst van de AOW-pensioenen van eiser en zijn echtgenote.
4.1.
Verweerder heeft op het herzieningsverzoek voor het verleden beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1). Als het besluit van het bestuursorgaan de hiervoor bedoelde toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:626).
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het verzoek om herziening van het AOW-pensioen voor het verleden geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld zijn vermeld. Eiser en zijn echtgenote hebben ter aanvulling van dat verzoek zelf het volgende aangegeven:
‘Te dien aanzien wijzen wij u er nogmaals op dat van een wijziging geen sprake is. De situatie van gescheiden leven zoals die nu is, bestond ook ten tijde van het ingaan van onze AOW-uitkeringen en was al jaren daarvoor ontstaan, een en ander zoals uiteengezet in onze brief van 3 april, maar ook reeds in 2011/2012 ten tijde van het aanvragen en ingaan van onze AOW-uitkeringen.’
4.3
De stelling van eiser dat de door verweerder toegepaste regels volgens hem achterhaald zijn op grond van veranderde maatschappelijke opvattingen over relatievormen en ten opzichte van ongehuwden discriminatoir zijn, levert evenmin een nieuw gebleken feit of omstandigheid op. Er is met betrekking tot de oorspronkelijke besluiten geen sprake van gewijzigde regelgeving. Van nieuwe rechtspraak is evenmin sprake, terwijl dit volgens vaste jurisprudentie bovendien niet als nieuw feit kan gelden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2005). Dat eiser het oneens is met de interpretatie van de toepasselijke wetgeving en geldende jurisprudentie, maakt het voorgaande niet anders.
4.4.
Op grond van de beleidsregel SB1076 herziet verweerder ook als er sprake is van een onmiskenbaar onjuiste beslissing. Hiervan is volgens de beleidsregel sprake als verweerder een fout heeft gemaakt, als het beleid van verweerder op een later moment is gewijzigd of wanneer er sprake is van overige omstandigheden, zoals een fout van eiser zelf of van een derde. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de eerdere toekenningsbesluiten onmiskenbaar onjuist te achten. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat verweerder geen juiste toepassing heeft gegeven aan dit beleid. Eiser kan niet gevolgd worden in het standpunt dat verweerder het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ heeft uitgelegd in strijd met de wet, nu niet is gebleken dat verweerder bij de uitleg van dat begrip is afgeweken van vaste rechtspraak daarover (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 september 2019 ECLI:NL:CRVB:2019:3019 en de daarin genoemde rechtspraak onder 4.2.).
4.5.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat sprake is van discriminatie tussen gehuwde pensioengerechtigden en ongehuwde pensioengerechtigden die ieder een eigen woning hebben - waardoor ook de hiervoor bedoelde vaste rechtspraak toepassing zou missen - , verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de CRvB van 14 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:583) en 1 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2354). In deze uitspraken heeft de CRvB geoordeeld dat verschillende behandeling van gehuwden en ongehuwden is gerechtvaardigd, gelet op de bijzondere band van het huwelijk die sociale, persoonlijke en juridische gevolgen heeft.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.