Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-11-03
ECLI:NL:RBDHA:2021:12213
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,673 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.11983
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.11984, op 13 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Iraakse nationaliteit.
Voorgaande procedures
2. Eiser heeft eerder op 8 december 2015 een asielaanvraag ingediend. Aan die
aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest voor eerwraak van de familie van de
vrouw ([naam 2]) met wie hij een relatie heeft gehad, hoewel zij zou worden uitgehuwelijkt aan
haar neef. Bij besluit van 11 augustus 2016 heeft verweerder die aanvraag ongegrond
verklaard op grond van artikel 31 van de Vw. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 14 april 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 mei 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), het door eiser ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het besluit van 11 augustus 2016 is hiermee in rechte vast komen te staan.
3. Op 30 juli 2018 heeft eiser een opvolgende aanvraag ingediend. Aan die aanvraag
heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij zich heeft bekeerd tot het christendom. Bij besluit van 3 augustus 2018 heeft verweerder die aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 27 augustus 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 oktober 2019 heeft de Afdeling het door eiser ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het besluit van 3 augustus 2018 is hiermee in rechte vast komen te staan.
4. Op 6 februari 2020 heeft eiser zijn derde asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd over nieuwe originele documenten te beschikken, waarmee wordt aangetoond dat hij (in Irak) vogelvrij is verklaard, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar en dat tegen hem een arrestatiebevel is uitgevaardigd.Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:
- een ongedateerde verklaring van de Raad van ouderen van de stammen van Irak;
- een arrestatiebevel van 29 september 2014;
- een samenvatting vonnis bij verstek van 9 oktober 2014.
Deze aanvraag is bij besluit van 30 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 1 april 2021 door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard. Het besluit van 30 november 2020 is bij uitspraak van 22 april 2021 van de Afdeling onherroepelijk geworden.
5. Op 26 mei 2021 heeft eiser zijn vierde asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 4 juni 2021 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is hiertegen niet in beroep gegaan.
Huidige procedure
6. Op 22 juni 2021 heeft eiser zijn vijfde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft ter onderbouwing van de aanvraag de volgende documenten als nieuwe elementen of bevindingen overgelegd:
- een uitspraak van de (Iraakse) Hoge Raad voor de Rechtspraak, afgegeven op 11 januari 2015;
- een opsporings/aanhoudingsbevel van de Hoge Raad voor de Rechtspraak, afgegeven op 15 januari 2015.
Eiser beoogt met voornoemde documenten aannemelijk te maken dat hij in Irak is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar vanwege vermeende verkrachting. Naar aanleiding van die uitspraak is er een nieuw opsporingsbevel tegen hem uitgevaardigd.
7. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan de opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd of geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
7.1
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde uitspraak van de Hoge Raad voor de Rechtspraak en het aanhoudingsbevel soortgelijke documenten betreffen als overgelegd bij de derde aanvraag van eiser op 6 februari 2020. In die procedure zijn die documenten niet aangemerkt als nieuw gebleken feiten of omstandigheden. De overgelegde documenten in de huidige procedure hebben betrekking op het verstekvonnis van 9 oktober 2014, dat eveneens is overgelegd in de derde procedure. De overgelegde documenten in de huidige procedure bevatten derhalve inhoudelijk niets nieuws en kunnen daarom niet worden beschouwd als nieuwe feiten of omstandigheden, aldus verweerder.
7.2
Daarnaast is uit het onderzoeksresultaat van Bureau Documenten van 1 juli 2021 gebleken dat beide documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. Wat betreft de inhoud van beide documenten kan er geen uitspraak worden gedaan. Gezien het bovenstaande bestaat er geen aanleiding om eiser te horen.
7.3
Verweerder werpt eiser ook tegen dat hij de overgelegde documenten veel eerder had kunnen inbrengen. Die dateren immers van januari 2015 en daarmee van vóór de
eerste aanvraag van eiser. Nu eiser dat heeft nagelaten, is met deze documenten volgens verweerder evenmin sprake van nieuwe elementen.
7.4
Ten slotte is verweerder van mening dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad voor het laten uitvoeren van een contra-expertise. Hij is op 7 juli 2021 per brief
geïnformeerd over het onderzoeksresultaat van Bureau documenten. Ook is hem meegedeeld dat de procedure kort daarna op 16 juli 2021 zou beginnen.
8. Eiser verwijst in beroep naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (hierna: het Hof) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 juli 2021. Eiser stelt voorts dat hij gehoord moeten worden om te kunnen verklaren over de documenten. Ook stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte geen gelegenheid heeft gegeven voor een contra-expertise naar aanleiding van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Eiser verwijst daarvoor naar een uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2021. Ter zitting heeft eiser aanvullend betoogd dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
9. De rechtbank moet allereerst beoordelen of de door eiser overgelegde documenten nieuw zijn, in die zin dat die geen rol hebben gespeeld in een eerdere procedure. In het arrest XY tegen Oostenrijk van het Hof van Justitie van de EU van 9 september 2021 heeft het Hof overwogen dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, als deze niet eerder zijn onderzocht en de beslissing in de voorgaande procedure daarom niet (mede) gebaseerd kon zijn op deze in de opvolgende procedure overgelegde elementen en bevindingen. De vaststelling of een element of bevinding nieuw is, behelst enkel een feitelijke beoordeling. De rechtbank stelt vast dat, nu de door eiser overgelegde documenten niet eerder zijn overgelegd en derhalve ook niet eerder zijn beoordeeld, deze reeds daarom als ‘nieuw’ in de hier bedoelde zin moeten worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat de documenten verwijzen naar documenten die al wel bij een eerdere asielprocedure zijn beoordeeld, maakt dat niet anders. Verweerder heeft daarom ten onrechte gesteld dat de documenten die eiser aan deze aanvraag ten grondslag heeft gelegd, niet als nieuw kunnen worden beschouwd.
10. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder ten onrechte aan eiser tegenwerpt dat hij de documenten waarop hij zich in deze asielprocedure beroept eerder had kunnen inbrengen. Uit het hiervoor aangehaalde arrest XY volgt dat bij een opvolgende aanvraag ook elementen of bevindingen die al bestonden vóór de beëindiging van de eerdere procedure maar waarop de verzoeker zich niet had beroepen, als nieuwe elementen of bevindingen gelden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vreemdelingenwet 2000.
AWB 16/18236.
201703427/1/V2.
NL18.14708.
201807206/1/V2.
NL20.20871.
202102295/1/V2.
Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
ECLI:EU:C:2021:478.
ECLI:NL:RBDHA:2021:6993.
202102219/1/V3.
C-18/20, ECLI:EU:C:2021:710.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 juli 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:6993).
Richtlijn (EU) 2013/32.
Implementatietabel bij Kamerstukken II 2014-2015, 34 088, nr. 3: (artikel 40) “Wordt als niet-ontvankelijkheidsgrond opgenomen in artikel 30a Vw 2000. Behoeft voor het overige geen implementatie.”
ECLI:NL:RVS:2017:2718.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:636.