Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-10-19
ECLI:NL:RBDHA:2021:11610
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,728 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.14208
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).
Procesverloop
Bij besluit van 3 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.14209, op 1 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Guinese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 21 mei 2021 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid Vw1. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser verzet zich tegen de overdracht aan Frankrijk. Eiser voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder meent eiser dat hij vanwege zijn medische situatie niet aan Frankrijk kan worden
1. Vreemdelingenwet 2000.
overgedragen. Eiser stelt dat in Frankrijk sprake is van ernstige en structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Hij wijst er in dat verband op dat hij in Frankrijk twee jaar lang, ondanks medische problemen, op straat heeft moeten leven. Ook verwijst eiser naar het AIDA rapport van 18 maart 2021 (update 2020) (hierna: AIDA rapport). Hij vindt daarom dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Verweerder maakt terughoudend gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. Op grond van het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vc2, gebruikt de IND deze bevoegdheid (voor zover hier van belang) als er concrete aanwijzingen zijn dat de lidstaat die voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijk is zijn internationale verplichtingen niet nakomt of bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
4. Niet is in geschil dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Frankrijk zich zal houden aan zijn internationale verplichtingen3. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dit in zijn geval niet zo is. Hierin is eiser echter niet geslaagd.
5. Uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport volgt weliswaar dat de asielopvang in Frankrijk gebreken kent, maar deze zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van een zodanige ernst en omvang dat sprake is van structurele, aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem waardoor aangenomen moet worden dat eiser, bij overdracht, terecht komt in een toestand van verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt in de meest elementaire behoeften te voorzien4. Ook eisers eigen ervaringen in Frankrijk rechtvaardigen die conclusie niet. Eiser heeft verklaard dat hij in Frankrijk contact heeft gehad met de instanties OFPRA en OFII. Ook kreeg hij een bankkaart en een verzekeringspas5. Daaruit blijkt dat de Franse autoriteiten in beginsel bereid zijn hem op te vangen en van overige faciliteiten te voorzien. Eiser heeft zijn stelling dat hij in Frankrijk op straat moest leven niet onderbouwd.
6. Eiser heeft ook aangevoerd medische klachten te hebben. Hiervan heeft hij echter geen (recente) medische documenten overlegd. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten, en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in Frankrijk medische zorg nodig had en deze niet heeft gekregen.
2 Vreemdelingencircula ire 2000.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:816).
4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2017 (Jawo)
(ECLI:EU:2019:18), punten 85 en 92.
5 Rapport van Aanmeldgehoor Dublin, pagina 7.
7. Verweerder heeft verder terecht opgemerkt dat eiser bij voorkomende problemen met medische zorg dan wel opvangvoorzieningen dient te klagen bij de desbetreffende autoriteiten in Frankrijk. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen voor hem onmogelijk dan wel op voorhand zinloos is.
8. Nu ook verder geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Frankrijk van een onevenredige hardheid zou getuigen, heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de behandeling van de asielaanvraag, ondanks de verantwoordelijkheid van Frankrijk, aan zich te trekken.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier en gepubliceerd door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak bekendgemaakt op:
Documentcode: DSR17845813
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.