Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-10-08
ECLI:NL:RBDHA:2021:11193
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,022 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.19240
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[Naam], verzoeker
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
In het besluit van 2 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder is gebleken dat de autoriteiten van Griekenland op 2 april 2020 al internationale bescherming aan verzoeker hebben verleend.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer NL20.19239.
Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting in de beroepszaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2021.
In het besluit van 9 september 2021 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Aan de intrekking heeft verweerder de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juli 2021 ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangegeven zich nog te beraden over de consequenties van de uitspraken voor de aanvraag van verzoeker en dat opnieuw op de aanvraag zal worden beslist, maar dat verzoeker deze beslissing in Nederland mag afwachten.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter daarop meegedeeld dat hij bereid is om de door verzoeker gemaakte proceskosten te vergoeden.
Overwegingen
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder (gedeeltelijk) tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 748,-), met een wegingsfactor 1.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627