Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-09-28
ECLI:NL:RBDHA:2021:10404
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,895 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/4540, SGR 20/4473 en SGR 20/5080
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. ten Broek),
en
1. de minister van Defensie (voorheen de staatssecretaris van Defensie),
2. de Commandant Luchtstrijdkrachten,
verweerders
(gemachtigde: mr. drs. A. Verkroost).
Hierna wordt de minister van Defensie aangeduid als verweerder en de Commandant Luchtstrijdkrachten als de commandant.
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2018 (het primaire besluit 1) heeft de commandant de bezoldiging van eiser verlaagd.
Bij brief van 11 april 2019 is eiser meegedeeld dat hij heeft verzuimd zich te melden bij de nieuwe leidinggevende. Wanneer eiser geen gevolg geeft aan de nieuwe oproep zullen nadere rechtspositionele maatregelen worden getroffen.
Bij besluit van 3 oktober 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser met ingang van 1 november 2019 ontslag verleend.
Bij besluit van 27 mei 2020 (het bestreden besluit 1) en besluit van 23 juni 2020 (het bestreden besluit 3) zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Bij besluit van 25 mei 2020 (het bestreden besluit 2) is het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerders hebben verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2021.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1.1.
Eiser was vanaf 1 juni 1986 in dienst bij het Ministerie van Defensie voor 38 uur per week en werkzaam bij het Logistiek Centrum van de Luchtmacht op de Vliegbasis Woensdrecht (LCW). Vanaf 1 april 2007 heeft hij een aanstelling van 20 uur per week. Daarnaast heeft eiser een schildersbedrijf.
1.2.
Deze zaken gaan over de vraag of de loonkorting per 7 november 2018 en het ontslag per 1 november 2019 op grond van artikel 124 (andere gronden) van het Burgerlijk ambtenarenreglement (BARD) terecht zijn gehandhaafd. Verder gaat het over de vraag of de brief van 11 april 2019 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar kon worden gemaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
2. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
Het ontslag (SGR 20/5080)
2.1.
Volgens vaste rechtspraak kan een ontslaggrond als die van artikel 124 (andere gronden) van het BARD worden toegepast als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking of als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Dit impliceert dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is.
2.2.
De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast eiser al vanaf 2005 problemen ervaart met zijn leidinggevende bij het aanvragen van deeltijd werken en later het aanvragen van onbetaald verlof in verband met de uitoefening van zijn schildersbedrijf. Eiser heeft wat betreft het deeltijdwerken uiteindelijk in 2007 gelijk gekregen, maar is daarna problemen en incidenten blijven ervaren met zijn leidinggevende die verband houden met het aanvragen van onbetaald verlof. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet verplicht is ieder jaar buitengewoon verlof toe te staan en dat mag weigeren in het belang van de dienst. Vanaf 2017 is eiser een verergering van medische problemen gaan ervaren door het in zijn ogen voortdurende arbeidsconflict. Er zijn pogingen gedaan om dit arbeidsconflict met mediation en gesprekken op te lossen, maar dat is niet gelukt. Dat verweerder de oorzaak is van het niet oplossen van het arbeidsconflict blijkt niet uit de stukken. Ook al zou op bepaalde momenten tot de conclusie zijn gekomen dat het beter is met een vaststellingsovereenkomst de aanstelling van eiser te beëindigen, is verweerder niet verplicht een concreet voorstel van eiser voor een vaststellingsovereenkomst te aanvaarden. Eiser heeft zich zelf ook niet soepel opgesteld. Hij heeft aangegeven dat hij wil terugkeren naar zijn oude functie, maar dat de leidinggevende en de squadroncommandant dan moeten worden overgeplaatst. Dit is een niet realistische oplossing, omdat zij geen arbeidsconflict ervoeren. Daarnaast heeft eiser aangeven met de hele defensieorganisatie een probleem te hebben. Eiser heeft ook niet de kans aangegrepen om onder een andere leidinggevende in een andere functie te re-integreren. Voor zover de enkele mogelijkheid dat eiser op de plaats van tewerkstelling van zijn nieuwe functie (het LCW) zijn oude leidinggevende zou kunnen tegenkomen voor eiser een medische belemmering vormde in zijn nieuwe functie te re-integreren, hetgeen de bedrijfsarts achteraf heeft bevestigd, wordt daarmee bevestigd dat het voor verweerder niet mogelijk was eiser binnen de organisatie te herplaatsen. Dit geldt te meer nu eiser, mede gelet op de uitoefening van zijn schilderbedrijf, niet op een andere locatie tewerkgesteld wilde worden.
Eiser heeft zich kennelijk niet kunnen neerleggen bij het feit dat verweerder niet verplicht is eiser altijd te faciliteren bij uitoefening van de – door verweerder geaccordeerde – nevenwerkzaamheden.
2.3.
De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, nu ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk was dat herplaatsing van eiser elders binnen de organisatie niet mogelijk was en dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten was. Verweerder was daarom bevoegd eiser ontslag te verlenen op grond van artikel 124 van het BARD.
2.4.
Eiser stelt dat indien en voor zover het ontslagbesluit stand houdt, het totaalbedrag van de uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie (BWW) als compensatie ontoereikend is. Daarbij speelt volgens eiser een rol dat een WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering in zijn situatie feitelijk niet of nauwelijks tot uitbetaling zullen komen, gezien de inkomsten uit het door hem met toestemming van verweerder al heel lang uitgeoefende schildersbedrijf. Van een daadwerkelijke, met het oog op de omstandigheden redelijke, compensatie is dan ook geen sprake.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen volstaan met toekenning van de ingevolge artikel 124, tweede lid, van het BARD ten minste toe te kennen uitkering. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en het voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. De strekking van artikel 124, tweede lid, van het BARD is te voorzien in een inkomen, indien de ambtenaar die op andere gronden wordt ontslagen, werkloos raakt door dat ontslag. Indien de ambtenaar die wordt ontslagen niet geheel of deels werkloos wordt, zoals in het geval van eiser, is dat geen reden om een andere vorm van ontslaguitkering toe te kennen.
2.6.
Verweerder heeft dus in redelijkheid van zijn bevoegdheid om eiser ontslag te verlenen gebruik gemaakt. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 is ongegrond.
De loonkorting per 7 november 2018 (SGR 20/4473)
Wat vindt eiser?
3.1.
Eiser stelt dat loonkorting niet terecht is. Hij vindt dat hij op grond van het advies van de bedrijfsarts van 16 november 2018 per die datum – en niet per 7 maart 2019 – beter gemeld had moeten worden. Over de periode van 16 november 2018 tot 7 maart 2019 is er dus ten onrechte een loonkorting toegepast volgens eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat, nu de bedrijfsarts eiser situationeel arbeidsongeschikt achtte, eiser op 16 november 2018 nog steeds ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Terugkeer naar zijn werk zou immers een negatieve risicofactor voor de gezondheid van eiser vormen, nu het arbeidsconflict nog niet was opgelost. Daarbij is tevens van belang dat eiser zich niet per 16 november 2018 beter heeft gemeld of heeft aangegeven dat hij zijn werkzaamheden kon hervatten.
3.3.
De commandant heeft dan ook terecht vanaf 7 november 2018 tot 7 maart 2019 toen eiser beter is gemeld, het loon van eiser gekort tot 70%. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is ongegrond.
De brief van 11 april 2019 (SGR 20/4473)
Wat vindt eiser?
4.1.
Eiser stelt dat verweerder het bezwaar tegen de brief van 11 april 2019 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand blijven;
- draagt verweerder op het in de zaak 20/4473 betaalde griffierecht van € 178,-aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in de zaak 20/4473 tot een bedrag van € 1.531,40.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
uitspraak van de CRvB van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198
uitspraak van de CRvB van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137
Uitspraak van 7 juni 2012 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2012BW7741
Zie ook de uitspraken van de CRvB van 6 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2621 en van 18 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:148