Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-09-22
ECLI:NL:RBDHA:2021:10272
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,779 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/8292
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2021 in de zaak tussen
[eiseres]
, te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Brouwer),
en
de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: A. Beijer).
Procesverloop
Eiseres heeft bij brief van 31 december 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar op haar verzoek om inzage in de persoonsgegevens als bedoeld in artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De zitting was op 1 juli 2021 via een Skypeverbinding. Eiseres en haar gemachtigde waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Op 19 juli 2019 heeft eiseres op grond van de AVG verzocht om inzage in haar personeelsdossier bij haar oude werkgever, de Immigratie-en Naturalisatiedienst. Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 24 september 2019 gedeeltelijk toegewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat er volgens haar geen volledige weergave is verstrekt van de haar betreffende persoonsgegevens. Het bezwaarschrift zou op 5 maart 2020 worden behandeld door de bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden. Deze commissie heeft zich echter op 19 februari 2020 onbevoegd verklaard. Het dossier is weer teruggestuurd naar verweerder voor een verdere behandeling van de zaak. Op 19 mei 2020 is verweerder in gebreke gesteld voor het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Op 31 december 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Op het bezwaarschrift van eiseres is tot op heden niet beslist.
Wat vinden partijen in beroep?
2. Eiseres neemt het standpunt in dat haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond moet worden verklaard. De wettelijke beslistermijn is op 28 januari 2020 afgelopen en er is tot op heden niet op het bezwaar beslist. Hoewel zij zowel in de periode voor als na de ingebrekestelling veelvuldig contact heeft gezocht met verweerder is een reactie aan de kant van verweerder uitgebleven. Daarbij was er geen vast aanspreekpunt nadat de bezwaarschriftencommissie zich onbevoegd had verklaard. Verweerder is haar dwangsommen verschuldigd, die met toepassing van artikel 8:55c van de Awb moeten worden vastgesteld op het maximale bedrag van 1.442,-. Verder moet het onderhavige beroep tegen het besluit van 24 september 2019 gegrond worden verklaard. Eiseres verzoekt om verweerder wegens onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens en het handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te veroordelen tot schadevergoeding van de geleden materiele schade van ongeveer €4000,- en immateriële schade van €15.000,-. Tot slot doet eiseres een verzoek tot proceskostenvergoeding.
3. Verweerder voert aan dat eiseres, nadat de bezwaartermijn op 10 maart 2020 was overschreden, bijna negen weken heeft gewacht voordat zij een ingebrekestelling heeft ingesteld. Vervolgens heeft zij zeven maanden gewacht voordat zij beroep heeft ingesteld. Dit kan als onredelijk laat worden aangemerkt. Gelet hierop is er geen dwangsom verschuldigd en moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4:17, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
In het zesde lid is bepaald dat geen dwangsom verschuldigd is indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep, indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, niet aan een termijn gebonden.
Ingevolge het vierde lid is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het onredelijk laat-criterium
5. In artikel 4:17 van de Awb is vermeld dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 6:12, derde lid, van de Awb voor het bezwaar of beroep tegen niet tijdig beslissen. Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan. Waar de rechtszoekende (nog) geen behoefte voelt tot het aanwenden van een rechtsmiddel, in de hoop of het vertrouwen dat er nog een besluit zal volgen, moet de wet niet tot het instellen van een beroep of het indienen van een bezwaarschrift prikkelen. Het ‘onredelijk laat’-criterium zoals opgenomen in de artikelen 4:17 en 6:12 van de Awb wordt in beginsel op eenzelfde wijze ingevuld.
6. De rechtbank stelt vast dat de termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift eindigde op 10 maart 2020. De in gebreke stelling is door verweerder op 19 mei 2020 ontvangen. Het kan eiseres niet worden verweten dat zij ook na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn bleef afwachten tot verweerder aan zijn wettelijke verplichting om een besluit te nemen zou voldoen. De rechtbank betrekt daarbij dat het bezwaarschrift van eiseres per vergissing bij de verkeerde bezwaarschriftencommissie terecht is gekomen en eiseres hiervan pas op 19 februari 2020 op de hoogte is gesteld. Er is veelvuldig contact gezocht met verweerder over het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Verweerder heeft hier geen reactie op gegeven. Ter zitting is aan de zijde van verweerder te kennen gegeven dat mogelijk niemand zich verantwoordelijk heeft gevoeld voor het dossier, omdat er geen medewerker aan de zaak gekoppeld was. Ook na de ingebrekestelling heeft eiseres herhaaldelijk navraag gedaan bij verweerder over de stand van zaken. Toen bleek dat een besluit niet op korte termijn was te verwachten is zij alsnog overgegaan tot het instellen van beroep. Voor het oordeel van verweerder dat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar onredelijk laat is ingediend, bestaat gelet op het voorgaande dan ook geen grond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, in verband waarmee geoordeeld moet worden dat het eiseres redelijkerwijs eerder duidelijk had moeten zijn dat verweerder geen besluit op haar bezwaar zou nemen.
Uit wat onder 5 en 6 is overwogen volgt dat het beroep gegrond is en de in gebreke stelling niet onredelijk laat is ingesteld.
Een wettelijke dwangsom
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
Gezien de maatregelen die op dit moment in Nederland gelden om verspreiding van het corona-virus COVID-19 te voorkomen, is er nu naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een beslissing op bezwaar moet nemen en verzenden.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
De verbeurde dwangsom
7.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt op grond van artikel 4:17 van de Awb de verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 267,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Abdolbaghai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, p. 5 en 13.
Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 132.
Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag van 6 mei 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:4782).