ECLI:NL:RBDHA:2020:9118
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.15982
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Remerie).
Bij besluit van 25 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 28 augustus 2020 deze maatregel van bewaring opgeheven en een maatregel opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, onder c, Vw.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken op:
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
1. Eiser stelt te zijn geboren in Gaza op [geboortedatum] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat eiser de aan de onderhavige maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden, zoals genoemd in artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), niet heeft betwist.
4. Eiser voert allereerst aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gewacht met het afnemen van het gehoor totdat zijn gemachtigde aanwezig was. Eiser heeft immers aangegeven dat hij een advocaat bij het gehoor wilde hebben.
4.1 De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat hij, toen hij gebeld werd met het verzoek om het gehoor voor inbewaringstelling van eiser bij te wonen, heeft aangegeven dat hij niet binnen twee uur bij het gehoor voor inbewaringstelling aanwezig kon zijn. Gelet op het beleid zoals vervat in A5/6.5. Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) mag in dat geval met het gehoor van eiser worden begonnen zonder bijzijn van de gemachtigde, ook al heeft de vreemdeling aangegeven dat hij een advocaat bij het gehoor wenst. Nu eiser zich niet op het standpunt heeft gesteld dat dit beleid onredelijk is, faalt deze beroepsgrond gelet op de inhoud van dit beleid.
5. Eiser voert aan dat de staandehouding voorafgaand aan de onderhavige maatregel van bewaring onrechtmatig was. De aanleiding is immers niet duidelijk. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat eiser is aangehouden omdat hij van zijn fiets was gevallen. Dat levert echter geen legitieme grondslag op tot aanhouding. Weliswaar staat in het bijgevoegde mutatierapport artikel 447 E Wetboek van Strafrecht genoemd, maar dat eiser zich niet kon identificeren is evenmin een reden om hem aan te houden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt ook niet dat hij is aangehouden vanwege openbare dronkenschap. Immers, in het proces-verbaal staat dat pas na het vragen van de identiteit wordt vastgesteld dat de man (eiser) ruikt naar alcohol. Dit betekent dat er geen sprake is van een staandehouding vanwege een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
5.1 Uit het proces-verbaal aanhouding van 25 augustus 2020 blijkt dat eiser op heterdaad is aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 447E Wetboek van Strafrecht, artikel 2 Wet op de identificatieplicht. In het Proces-verbaal bevindingen van dezelfde datum is – onder meer - het volgende opgenomen.
“ Op dinsdag 25 augustus 2020, omstreeks 00.10 uur, reden wij, verbalisanten, over de L.D. Pollstraat te Hoorn. Aldaar zagen wij een man met een fiets met groene fietstassen op de grond liggen.
Wij zagen dat er een jongen en een meisje op een scooter naast de man stonden. Wij zagen en hoorden de jongeren zeggen: "Wat doe jij nou man".
Wij, verbalisanten, zagen dat de man opstond en slingerend met de fiets aan zijn hand weg liep. Ik, verbalisant Beerepoot ben achter de man met de fiets aangelopen. Ik heb de man aangeroepen te blijven staan. Ik zag dat de man hier na ongeveer 20 meter gehoor aan gaf.
Ik, verbalisant Provoost, vroeg aan de jongeren wat er gebeurd was. Ik hoorde de jongeren zeggen dat de man van zijn fiets gevallen was vlak voor hun neus.
Vaststellen identiteit
Ik, verbalisant Beerepoot, vroeg de man naar een geldig identiteitsbewijs. Ik hoorde de man zeggen dat hij die niet bij zich had. Ik rook dat de man riekte naar inwendig gebruik van alcohol. Ik hoorde en zag dat de man moeilijk en slecht uit zijn woorden kwam.”
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande genoegzaam blijkt wat de aanleiding tot eisers aanhouding is geweest en dat dit een strafrechtelijk en niet een vreemdelingrechtelijk karakter had. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ligt de rechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding bij de bewaringsrechter niet ter toetsing voor. De beroepsgrond faalt.
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet op 25 augustus 2020 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vw heeft opgelegd. Ten onrechte is op grond van het gehoor inbewaringstelling niet geconcludeerd dat eiser asiel wilde aanvragen. Zijn gemachtigde heeft op dezelfde dag per fax aan het AZC in Ter Apel aangegeven dat eiser asiel wilde indienen. Daarmee is zijn asielwens kenbaar gemaakt. Verweerder heeft echter pas op 28 augustus 2020 de maatregel omgezet naar artikel 59b Vw, hetgeen buiten de termijn van 48 uur is. Er is daarom sprake van een onrechtmatige bewaring omdat niet is voldaan aan het legaliteitsvereiste. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 4 september 2013 (AWB 13/22675).
6.1 Uit het proces-verbaal gehoor voor inbewaringstelling van 25 augustus 2020 (pagina 2) blijkt dat de verbalisant aan eiser heeft gevraagd waarom hij, ondanks dat zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, de Europees Unie niet heeft verlaten. Eiser heeft toen geantwoord dat hij in Nederland wil blijven wonen. Vervolgens is gevraagd of eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een onmenselijke behandeling vreest. Hierop heeft eiser ‘nee’ geantwoord. Eiser heeft niet geconcretiseerd uit welke passage van het gehoor zou moeten blijken dat hij een asielaanvraag wenste in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat eiser op dat moment niet kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wenste in te dienen. Daarom is aan eiser op 25 augustus 2020 op goede gronden een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw opgelegd.
6.2 Voor zover eiser bedoelt aan te voeren dat verweerder vervolgens op 25 augustus 2020 de maatregel diende om te zetten naar artikel 59b Vw vanwege de fax die naar Ter Apel is gestuurd, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het bepaalde in artikel 3.117 Vb, verder uitgewerkt in C1/2.10 van de Vc blijkt het volgende. Als een vreemdeling aan wie een maatregel als de onderhavige is opgelegd aangeeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, dient de vreemdeling deze aanvraag in op de locatie waar de vrijheidsontnemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd. Nu eiser op 28 augustus 2020 heeft verklaard dat hij een asielaanvraag wenste in te dienen, hij daarna een asielaanvraag heeft ondertekend en de onderhavige maatregel vervolgens direct is opgeheven, faalt deze beroepsgrond gelet op de inhoud van dit beleid, waarvan niet is gesteld dat dit onredelijk is.
Onder die omstandigheden faalt deze beroepsgrond.
7. Eiser voert aan dat er ten tijde van de bewaring geen redelijk uitzicht op verwijdering was. Eiser is afkomstig uit Gaza. Verweerder stelt dat dit niet het geval is en verwijst naar Marokko. Uit het dossier blijkt echter niet dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Verweerder heeft ten onrechte in het procesdossier geen informatie opgenomen over de eerdere asielprocedure en de vorige periodes waarin hij in bewaring zat, in onder meer 2007, 2010 en 2019.