Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2020:8969
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,267 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13810
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Broeke), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Inleiding
Bij besluit van 8 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring1 gesteld, omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Verweerder heeft op 9 juli 2020 het terugkeerbesluit van eiser ingetrokken, omdat een Dublinclaim naar Zweden wordt verzonden. Vervolgens heeft verweerder de maatregel van bewaring op 14 juli 2020 opgeheven. De te beoordelen periode loopt daarom van 8 juli 2020 tot en met 14 juli 2020.
Eiser is van menig dat hij ten onrechte in bewaring heeft gezeten en heeft daarom beroep ingesteld tegen de maatregel. Met het instellen van beroep verzoekt eiser ook om toekenning van schadevergoeding.
De zitting vond plaats op 20 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als de tolk is verschenen de heer A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Eiser stelt dat hij de Palestijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1987] .
Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring met ingang van 9 juli 2020 onrechtmatig is geworden, omdat op die dag het terugkeerbesluit van eiser is ingetrokken. Een terugkeerbesluit is immers een voorwaarde voor de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser doet in dit verband een
1. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 Vreemdelingenwet.
beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 maart 2011.2
3. Verweerder heeft ter zitting erkend dat met het intrekken van het terugkeerbesluit op 9 juli 2020 ook de grondslag voor het opleggen van de maatregel is komen te vervallen. Verweerder heeft schadevergoeding aangeboden voor de periode van 10 juli 2020 tot en met 14 juli 2020.
4. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiser slaagt. Het terugkeerbesluit, waarin de terugkeerverplichting is opgelegd, is onderdeel van de
terugkeer- of verwijderingsprocedure. Verwijdering van eiser is een maatregel tot uitvoering van het terugkeerbesluit. Dit betekent dat de bewaring met het oog op de verwijdering van eiser eveneens moet worden aangemerkt als strekkende ter uitvoering van het terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit is op 9 juli 2020 ingetrokken en daarmee is maatregel van bewaring direct onrechtmatig geworden. Anders dan verweerder stelt, heeft eiser dus recht op schadevergoeding vanaf 9 juli 2020 tot en met 14 juli 2020.
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was met ingang van 9 juli 2020 onrechtmatig.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 6
x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
2 ECLI:NL:RVS:2011:BP9280.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 juli 2020
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.