Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-09-01
ECLI:NL:RBDHA:2020:8566
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,743 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.1534
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [nummer] ,
gemachtigde: mr. F.M. Holwerda,
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. F.S. Schoot.
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiseres heeft op 27 januari 2020 de gronden van het beroep ingediend.
Naar aanleiding van de sluiting van de rechtbank vanwege de maatregelen die zijn getroffen in verband met het coronavirus hebben de zittingen op 24 maart 2020 en op 22 april 2020 geen doorgang kunnen vinden.
Verweerder heeft op 14 april 2020 een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vervolgens op 29 april 2020 een repliek ingediend. Verweerder heeft op
15 mei 2020 een dupliek ingediend.
Op verzoek van de rechtbank hebben partijen zich op 4 juni 2020 uitgelaten over het procesbelang in deze procedure.
De rechtbank heeft de zaak vervolgens verwezen naar een meervoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Op 28 november 2019 heeft Italië dit verzoek aanvaard.
2. Eiseres voert aan dat de uiterste overdrachtsdatum is verstreken op 28 mei 2020 (zes maanden na aanvaarding van het claimverzoek door Italië), waardoor de verantwoordelijkheid voor de behandeling van haar asielaanvraag op grond van de Dublinverordening op Nederland over is gegaan.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uiterste overdrachtsdatum 22 oktober 2020 is. Verweerder betoogt dat de overdrachtstermijn is opgeschort vanaf het moment dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning, tot het moment dat zij dit bezwaar heeft ingetrokken op 22 april 2020. Dit bezwaar heeft opschortende werking op grond van artikel 73, eerste lid, van de Vw en om die reden is ook de werking van het overdrachtsbesluit opgeschort en daarmee de overdrachtstermijn. Op 22 april 2020 (de datum waarop eiseres het bezwaar heeft ingetrokken) is volgens verweerder een nieuwe overdrachtstermijn van zes maanden gaan lopen. Verweerder verwijst daarbij naar paragraaf B1/7.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
De rechtbank stelt vast dat de overdrachtstermijn van zes maanden is gaan lopen op 28 november 2019. Dit betekent dat verweerder tot en met 28 mei 2020 de gelegenheid had om eiseres over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten, tenzij de overdrachtstermijn op enig moment is opgeschort.
4.2
Voor de vraag of een overdrachtstermijn wordt opgeschort is de Dublinverordening bepalend. In artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is – voor zover hier van belang – bepaald dat overdracht plaatsvindt uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft. Daaruit leidt de rechtbank af dat de overdrachtstermijn alleen wordt opgeschort overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
In artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening wordt de lidstaten de keuze uit drie mogelijkheden gegeven, om te bewerkstelligen dat een vreemdeling een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit in kan stellen. Nederland heeft gekozen voor de toepassing van artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. In het Nederlandse recht is daarom bepaald dat, als verweerder een asielverzoek niet in behandeling neemt omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan, de vreemdeling een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan doen om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten (en de feitelijke overdracht te voorkomen). In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De werking van een besluit om een asielverzoek niet in behandeling te nemen omdat een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is, wordt dus niet van rechtswege opgeschort, maar alleen na het treffen van een voorlopige voorziening.
4.3
In deze procedure heeft eiseres het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten, ingetrokken. De werking van het bestreden besluit is dus niet door een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening opgeschort.
4.4
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat ook het indienen van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning de overdrachtstermijn opschort. Weliswaar heeft verweerder dat bepaald in zijn beleid zoals beschreven in paragraaf B1/7.2 van de Vc, maar een bevoegdheidsgrondslag daarvoor kan niet worden gevonden in artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Daartoe overweegt de rechtbank dat artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening – dat onder meer verwijst naar artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening – betrekking heeft op rechtsmiddelen die zijn aangewend tegen het overdrachtsbesluit zelf of die hebben geleid tot een voorlopige voorziening waarbij de uitvoering van het overdrachtsbesluit door de voorzieningenrechter is opgeschort. Niet in geschil is dat het bezwaar in de reguliere procedure niet een rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit noch een getroffen voorlopige voorziening betreft.
4.5.1
Verweerder heeft in dit verband verwezen naar het arrest Koushkaki (C-84/12, EU:C:2013:862) van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, waarin is geoordeeld dat bij de uitleg van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat zijn uitleg – dat als op grond van nationale wetgeving geen uitvoering kan worden gegeven aan het overdrachtsbesluit, dit tevens opschorting van de overdrachtstermijn met zich brengt – past binnen de strekking van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening en het doel van de Dublinverordening. Anders zou namelijk een situatie ontstaan waarbij een vreemdeling zelf invloed kan uitoefenen op het verstrijken van de overdrachtstermijn door het maken van bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning.
De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Voor de uitleg die verweerder voorstaat, kan geen steun worden gevonden in de bewoordingen van artikel 29, eerste lid, en artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het in dit geval immers niet om een rechtsmiddel dat is aangewend tegen het overdrachtsbesluit zelf en evenmin – anders dan in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waar verweerder een beroep op doet – om een verzoek aan een rechterlijke instantie om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten zoals bepaald in artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Evenmin kan steun gevonden worden in de context en de doelstellingen van de Dublinverordening. Weliswaar is één van de doelstellingen van de Dublinverordening ‘forumshopping’ tegen te gaan, maar de Dublinverordening kent meerdere doelstellingen, zodat een ruimere uitleg van de betreffende bepalingen daarmee niet zonder meer gegeven is. Eén andere belangrijke doelstelling is – zo stelt eiseres terecht – zo spoedig mogelijk vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. De artikelen 29, eerste lid, en artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening verzekeren dat een vreemdeling daarbij in staat wordt gesteld de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit door een rechterlijke instantie te laten beoordelen en dit rechtmatigheidsoordeel in de lidstaat waarin dat getoetst wordt, te mogen afwachten. Om dat te bewerkstelligen, moet in het nationale recht – middels één van de drie keuzes gegeven in artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening – worden geregeld dat het overdrachtsbesluit (en de rechtsgevolgen ervan) wordt opgeschort.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.575,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzitter, en mr. J.F.M.J. Bouwman en mr. M.M. Vollebregt-Kuipers, leden, in aanwezigheid van P.P. van Essen-van 't Ende, griffier.
griffier rechter
Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum.
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
De uitspraak is uitgesproken op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2122), 28 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2170) en 24 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:556).