Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-05-26
ECLI:NL:RBDHA:2020:4699
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,523 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.6490
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.L.J.M. Wilhelmus), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op 20 mei 2020. De rechtbank heeft gemachtigden telefonisch gehoord.
Overwegingen
Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1982 en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft op 9 augustus 2016 en 29 april 2019 in Italië asiel aangevraagd. Op 9 december 2019 heeft eiser zijn onderhavige asielaanvraag ingediend.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
Eiser voert aan dat in zijn geval ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op het rapport van SFH/OSAR van januari 2020. Daaruit blijkt dat volgens de SFH/OSAR sprake is van systematische tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. Lidstaten moeten daarom afzien van de overdracht van kwetsbare asielzoekers aan Italië.
Daarnaast blijkt uit het rapport van SFH/OSAR en uit informatie van Vluchtelingenwerk Nederland dat eiser bij terugkeer in Italië geen opvang zal krijgen en dat het onduidelijk is of zijn asielaanvraag opnieuw in behandeling wordt genomen in Italië. Voor dat laatste punt wijst eiser in het bijzonder naar pagina 97 van het rapport van SFH/OSAR.
Voor zover al sprake is van een overdracht van eiser aan Italië voert eiser aan dat hij als kwetsbare vreemdeling moet worden aangemerkt in de zin van het arrest van het EHRM in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland.1 De reden hiervoor is dat eiser lijdt aan scoliose. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een uitdraai van zijn patiëntdossier overgelegd gedateerd op 25 februari 2020. Nu eiser moet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbaar persoon zijn er individuele garanties nodig om te waarborgen dat de noodzakelijke opvang- en zorgvoorzieningen aanwezig zijn. Van eiser kan in redelijkheid niet worden verwacht dat bij voorkomende problemen klaagt bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten.
Verder voert eiser nog aan de huidige beschikbaarheid en kwaliteit van de opvang in Italië door de corona-crisis onduidelijk is. Gelet op voorgaande stelt eiseres dat er sprake is van een toestand van verregaande materiele deprivatie als bedoeld in het arrest Jawo.2 Bovendien is ook sprake van een feitelijke belemmering van de overdracht, omdat vanwege de uitbraak van het coronavirus geen overdrachten plaatsvinden van en naar Italië.
Eiser is dan ook van mening dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.
5. Het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Italië de verdragsverplichtingen zal nakomen en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet in is geslaagd. Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat in Italië sprake is systematische tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in zijn uitspraak van 19 december 20183 geoordeeld dat geen sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten na overdracht aan Italië een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. De ABRvS heeft dit oordeel daarna bovendien meerdere keren, onder andere in de uitspraken van 12 juni 20194, 28 augustus 20195 en 8 april 20206 herhaald. Verder heeft de ABRvS in de uitspraak van 8 april 20207 overwogen
1. Arrest van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218, C- 163/17).
3 ECLI:NL:RVS:2018:4131.
4 ECLI:NL:RVS:2019: 1861.
5 ECLI:NL:RVS:2019:2957.
6 ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987.
7 ECLI:NL:RVS:2020:986
dat ook het rapport van SFH/OSAR van januari 2020 geen wezenlijke wijzigingen laat zien ten opzichte van eerdere rapporten die door de ABRvS zijn beoordeeld. Daarnaast is de enkele stelling van de huidige beschikbaarheid en kwaliteit van de opvang in Italië door de corona-crisis onduidelijk is, onvoldoende voor het oordeel dat Italië niet langer zijn verdragsverplichtingen kan nakomen.
6. De rechtbank overweegt verder dat Italië met het claimakkoord garandeert dat een asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Uit het rapport van SFH/OASR van januari 2020, pagina 97, volgt verder dat als een asielprocedure 12 maanden is geschorst en is afgesloten vanwege afwezigheid van de asielzoeker, de betreffende asielzoeker om de asielprocedure te kunnen heropenen redelijke gronden voor zijn afwezigheid naar voren moet brengen. Als de Italiaanse autoriteiten van oordeel zijn dat de grond voor afwezigheid niet redelijk is, is het alleen mogelijk om een herhaalde asielaanvraag in te dienen. De rechtbank overweegt dat hieruit niet volgt dat het niet mogelijk is om een herhaalde asielaanvraag in te dienen of om tegen de beslissing van het afsluiten van de asielprocedure op te komen bij de Italiaanse autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond hiervan dan ook geen sprake van ernstige structurele tekortkomingen wat betreft toegang tot de asielprocedure in Italië.
7. Ten aanzien van het recht op herhuisvesting voor Dublinclaimanten overweegt de rechtbank dat uit het rapport van SFH/OSAR van januari 2020 volgt dat Dublinclaimanten bij terugkeer moeilijkheden kunnen ondervinden bij het opnieuw verkrijgen van opvang. Anders dan eiser heeft betoogd volgt uit het rapport niet dat het in zijn geheel niet mogelijk is om opnieuw toegang te krijgen tot de opvang en dat het niet mogelijk is om tegen deze beslissing bezwaar te maken bij de Italiaanse autoriteiten. Anders dan eiser stelt, mag van hem worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen met betrekking tot toegang tot de opvang wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Italië. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan en dat de Italiaanse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen.
8. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn conclusie dat eiser niet is aan te merken als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in het arrest Tarakhel. Het door eiser overgelegde patiëntdossier is daarvoor onvoldoende. Daaruit blijkt namelijk niet dat eiser onder specialistische behandeling staat of dat eiser speciale opvangbehoeften nodig heeft. De rechtbank overweegt dat de medische voorzieningen van de lidstaten in beginsel vergelijkbaar mogen worden verondersteld. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt niet opgaat. Verweerder was dan ook niet gehouden om voor eiser aanvullende (opvang) garanties te vragen aan de Italiaanse overheid.
9. Over eisers beroep op het arrest Jawo overweegt de rechtbank als volgt. Zoals blijkt uit rechtsoverweging 92 en verder van het arrest Jawo bestaat er een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid voordat wordt aangenomen dat er sprake is van een risico op schending van artikel 4 van het Handvest.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
8 ECLI:NL:RVS:2020:1032.
26 mei 2020
Documentcode: DSR11710295
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.