Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2020-12-16
ECLI:NL:RBDHA:2020:14811
Bestuursrecht
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/2641 AW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, en de staatssecretaris van Financiën, verweerder (gemachtigde: mr. G.B. Honders). Bij besluit van 21 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres geen toestemming verleend om naast het gebruik van haar mobiliteitskaart voor woon- werkverkeer tussen haar kantooradres en zijn woonplaats, haar mobiliteitskaart te gebruiken tussen haar kantooradres en de woonplaats van haar partner. Bij besluit van 18 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting via Skype heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. 1.1. Eiseres is werkzaam als medewerker opsporing bij de FIOD en formeel geplaatst in [plaats 2] . Sinds 1 januari 2016 is zij op detacheringsbasis werkzaam in Utrecht. Zij woont in [woonplaats] . 1.2. Binnen de Rijksoverheid is per 1 juni 2014 ten behoeve van woon-werkverkeer en dienstreizen de mobiliteitskaart ingevoerd. Deze kaart verving de voorheen voor ambtenaren afgesloten openbaarvervoerabonnementen. Verweerder neemt op die wijze de reiskosten voor het woon-werkverkeer per openbaar vervoer voor zijn rekening. Verweerder betaalt aan de verstrekker van de mobiliteitskaart - dit was eerst Mobility Mixx en nu Shuttel - de met de mobiliteitskaart gemaakte reiskosten. 1.3. In januari 2018 heeft eiseres haar teamleider verzocht om haar mobiliteitskaart Shuttel ook te mogen gebruiken voor woon- werkverkeer van en naar het woonadres van haar partner in [plaats 1] , waar zij regelmatig verblijft. Dit verzoek is afgewezen. Op 20 augustus 2018 heeft eiseres haar teamleider wederom verzocht haar mobiliteitskaart Shuttel ook te mogen gebruiken voor woon- werkverkeer van en naar het woonadres van haar partner in [plaats 1] , waar eiseres regelmatig verblijft. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het verzoek van eiseres is afgewezen op grond van artikel 2, eerste lid, onder c, en artikel 12, eerste lid, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 (het Vkb). Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woonplaats van de partner van eiseres niet valt onder het begrip woonplaats als bedoeld in het Vkb. Het Besluit kent één woonplaats, het metterwoon geregistreerde woonadres, en in het geval van eiseres is dit (in) Leiden. Het reizen naar andere verblijfplaatsen heen en terug wordt gezien als privéreis. Het beroep op de hardheidsclausule in artikel 15 van het Vkb wordt afgewezen. 3.1. Eiseres heeft aangevoerd dat ook het woonadres van haar partner in [plaats 1] onder woonplaats moet worden verstaan op grond van artikel 2, eerste lid, onder c, van het Vkb. Eiseres stelt dat het in de huidige tijd steeds vaker voor komt dat mensen een lat-relatie aangaan waarbij feitelijk gebruik wordt gemaakt van twee woningen. Eiseres stelt in dit verband dat het Vkb weliswaar ook maar één plek van tewerkstelling kent, maar dat door de intrede van flexibele werkplekken binnen het Rijk het veelvuldig voorkomt dat collega’s van de belastingdienst op één of meerdere dagen in de week op een andere locatie werkzaam zijn dan de plaats van tewerkstelling. Voor deze reizen is het gebruik van de mobiliteitskaart wel toegestaan. Op die manier wordt er door de werkgever met twee maten gemeten, aldus eiseres. Bij de definitie van huisadres is sprake van een strikt juridische interpretatie terwijl bij de definitie van werkadres sprake is van een ruime interpretatie. Volgens eiseres is verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op wat zij hierover al in bezwaar heeft aangevoerd en eiseres wil om die reden een geheel of gedeeltelijke vergoeding van haar griffierecht. Verder stelt eiseres in dit verband dat voor de belastingheffing ten aanzien van de reisaftrek in verband met reiskosten woning-werk sprake is van een ruimer begrip van het woonadres, omdat wordt uitgegaan van woning of verblijfplaats. 3.2. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de plaats van tewerkstelling, op basis van andere regelgeving, meerdere plaatsen kan betreffen. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar zijn standpunt in het beroep van de partner van eiseres. 3.3. Het beroep van de partner van eiseres, dat gerelateerd is aan deze zaak, is bij uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2020 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBGEL:2020:2650). 4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vkb wordt verstaan onder woonplaats: de gemeente of het bij name genoemde deel daarvan, waar de betrokkene metterwoon is gevestigd. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Vkb heeft de betrokkene aanspraak op vergoeding van de gemaakte kosten van het dagelijks reizen per openbaar vervoer tussen de woning en de plaats van tewerkstelling. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Vkb kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels worden beslist in individuele gevallen, waarin deze regels niet of niet in redelijkheid voorzien. 5.1. Niet in geschil is dat in het geval van eiseres de woonplaats in de zin van het Vkb Leiden is. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘woonplaats’ niet voorkomt in artikel 12 van het Vkb en dat dit begrip kennelijk is gedefinieerd met het oog op artikel 5 van het Vkb en artikel 12 van de Verplaatsingskostenregeling 1989 (Vkr). Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9769). Artikel 12 van het Vkb gaat uit van het begrip ‘woning’. In het Vkb noch in de Vkr is gedefinieerd wat onder dit begrip moet worden verstaan. Ook in de Nota van Toelichting bij het Vkb (Staatsblad 1989, 424) en in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 26 september 2003, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaarden-overeenkomst sector Rijk 2002-2003 (Stb. 2003, 394) is dit begrip niet verder ingevuld. De gronden van eiseres vergen een uitleg van het begrip woning. De rechtbank stelt vast dat artikel 5 van het Vkb, waarin het begrip ‘woonplaats’ wordt gehanteerd, ziet op verhuiskosten. In artikel 3 van het Vkb, dat eveneens ziet op verhuiskosten, wordt het begrip ‘woning’ gehanteerd. Het moet ervoor worden gehouden dat de wetgever, nu de begrippen ‘woning’ en ‘woonplaats’ door elkaar worden gehanteerd, niet heeft beoogd een onderscheid te maken. Indien de wetgever dat wel had beoogd, dan had het in de rede gelegen dat dit in de (definitiebepalingen van de) regeling of de toelichting tot uitdrukking zou zijn gebracht. Een redelijke uitleg van het begrip ‘woning’ brengt dan ook mee dat moet worden aangesloten bij de definitie van het begrip “woonplaats” en moet onder woning worden verstaan de woning in de gemeente waar hij metterwoon is gevestigd. Hieruit volgt reeds dat geen plaats is voor de door eiseres gewenste ruimere uitleg van het begrip ‘woning’. De rechtbank overweegt dat de vaste woon-werkverkeer vergoeding wordt afgestemd op de afstand van de woonplaats tot de werkplek en dat de overheidswerkgever in plaats van een geldelijke vergoeding de noodzakelijke vervoersbewijzen - voor voornoemde vaste afstand - kon verstrekken aan de werknemer. Er bestaan geen aanknopingspunten dat deze benadering met de komst van de mobiliteitskaart is losgelaten. Eiseres heeft niet betwist dat zij metterwoon is gevestigd in Leiden, dat zij daar feitelijk woont en dat zij aldaar is ingeschreven. Verweerder heeft dit dan ook als enig uitgangspunt mogen nemen voor het gebruik van de mobiliteitskaart. Het Vkb voorziet niet in de mogelijkheid de woning van haar partner ook als de woning van eiseres aan te merken in de zin van artikel 12 van het Vkb, indien zij daar verblijft. 5.2. De rechtbank stelt wel vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de stelling van eiseres dat er met twee maten wordt gemeten omdat de mobiliteitskaart wel mag worden gebruikt voor het reizen naar een andere locatie dan de plaats van tewerkstelling. Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op dit deel van het bezwaar van eiseres, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.