Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-10-06
ECLI:NL:RBDHA:2020:10108
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,556 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/6520
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. de Klein),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.M. Burger).
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ontslag verleend, primair als disciplinaire straf op grond van artikel 76 in verbinding met artikel 77, eerste lid onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en subsidiair wegens ongeschiktheid op grond van artikel 89, vierde lid, van het Barp.
Bij besluit van 2 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van een beeldverbinding (skype) op 9 september 2020. Hieraan hebben deelgenomen eiser en zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder in aanwezigheid van [A] .
Overwegingen
1. Eiser was sinds 2012 in dienst bij verweerder, laatstelijk (sedert 2015) in de functie van aspirant allround politiemedewerker.
2. Op 7 maart 2018 is eiser aangehouden als verdachte van schending van ambtsgeheim, zoals strafbaar gesteld in artikel 272, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De aanleiding hiertoe was dat in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek was gebleken dat via de diensttelefoon van eiser vertrouwelijke politie-informatie aan derden is gelekt. Vastgesteld is dat via de diensttelefoon van eiser op 11 augustus 2017 en 3 november 2017 in de politiesystemen naar informatie was gezocht of een persoon, die van grootschalige invoer van verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika verdacht wordt, in de politiesystemen gesignaleerd staat.
Eiser is meermaals door de Rijksrecherche en in het kader van intern onderzoek gehoord. Op basis van die onderzoeken en de eigen verklaringen van eiser is vastgesteld dat eiser ten aanzien van meerdere personen voor privédoeleinden informatie in de politiesystemen heeft opgezocht en aan derden heeft doorgegeven.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – na schrapping van één alinea uit het primaire besluit – het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft nader gemotiveerd waarom hij niet alle overwegingen uit het ten aanzien van het bezwaar van eiser uitgebrachte advies van de Bezwaaradviescommissie HRM (hierna: de Commissie) van
22 augustus 2019 heeft overgenomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het meermaals raadplegen van de politiesystemen voor privédoeleinden en het delen van vertrouwelijke politie-informatie met onbevoegde derden. Verweerder kwalificeert de aan eiser verweten gedragingen, zowel op zichzelf staand als in onderling samenhang bezien, als ernstig plichtsverzuim en ziet daarom geen aanleiding om de suggestie van de Commissie om aan eiser primair ongeschiktheidsontslag te verlenen, op te volgen.
3.1
Aan het strafontslag heeft verweerder de volgende gedragingen als plichtsverzuim ten grondslag gelegd:
Het raadplegen van de politiesystemen om niet functionele redenen;
Het delen van de vertrouwelijke politie-informatie met onbevoegde derden;
Het ernstig verwijtbaar nalatig zijn door één of meer anderen in staat te stellen om met gebruikmaking van zijn diensttelefoon onbevoegdelijk het politiesysteem te raadplegen;
Het niet transparant dan wel naar waarheid verklaren tijdens zijn verhoor bij de Rijksrecherche.
4. Eiser heeft in de beroepsgronden aangegeven dat hij het plichtsverzuim ter zake van het raadplegen van politiesystemen en het verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie aan onbevoegden, zoals nader geduid en omschreven in het advies van de Commissie – hetgeen neerkomt op de hierboven onder 3.1 genoemde eerste twee bullets – erkent en dat dat plichtsverzuim geen bespreking in het onderhavige beroep behoeft.
Eiser ontkent wel dat hij de bevraging op zijn diensttelefoon op 11 augustus 2017 en
3 november 2017 heeft gedaan en sluit zich aan bij hetgeen daaromtrent is overwogen in het advies van de Commissie. Verweerder heeft niet op basis van beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging verkregen dat eiser die bevragingen heeft gedaan, maar baseert zich op alternatieve scenario’s en speculatieve overwegingen.
Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat voor zover ontslag dient te volgen, dit in de gegeven constellatie slechts het subsidiair gegeven ongeschiktheidsontslag op de voet van artikel 89, vierde lid, van het Barp kan betreffen en dat verweerder het advies van de Commissie op dit punt dient te volgen. Eiser heeft immers voornamelijk uit naïviteit en op ondoordachte wijze gehandeld, terwijl hij nog in opleiding was voor de functie van generalist GGP.
Tot slot stelt eiser dat verweerder in strijd met de bedoeling van artikel 79 van het Barp heeft gehandeld voor wat betreft de verslaglegging van de door eiser gegeven mondelinge toelichting op zijn zienswijze.
5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het door eiser erkende plichtsverzuim, als ernstig te kwalificeren is en al voldoende is voor het verlenen van strafontslag.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de beroepsgrond aangaande een mogelijk bevoegdheidsgebrek met betrekking tot de ondertekening van het bestreden besluit, ter zitting heeft ingetrokken. Gelet op de met het verweerschrift overgelegde stukken – het Mandaatbesluit politie 2017 en de brief van de directeur van het Politiedienstencentrum van 21 januari 2020 – heeft verweerder met betrekking tot het bevoegdheidsvraagstuk thans voldoende duidelijkheid verschaft.
6.2
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraken van 8 februari 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) en 18 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267), hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden en argumenten in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan.
6.3
Het primaire standpunt van eiser komt erop neer dat het plichtsverzuim dat onder de eerste twee bullets van 3.1 is vermeld, niet voldoende grondslag biedt voor het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag. Dit standpunt slaagt niet, gelet op het volgende.
6.3.1
Op basis van het ten aanzien van eiser (intern) verrichte onderzoek en de door eiser afgelegde verklaringen zijn met betrekking tot het plichtsverzuim ‘Het raadplegen van de politiesystemen om niet functionele redenen’ de volgende gedragingen van eiser vastgesteld:
- Eiser heeft op 27 januari 2016, 1 september 2016 en 1 februari 2017 de gegevens van zijn ex-vriendin geraadpleegd, om te kijken of zij bij de woning van haar ouders ingeschreven stond.
- Eiser heeft op 4 november 2016 de gegevens van een kennis bevraagd om na te gaan welk bedrag hij aan boetes had openstaan.
- Eiser heeft op 4 november 2016 en 10 maart 2017 de gegevens van een vriend van hem, en op 10 maart 2017 de gegevens van de broer van die vriend, opgevraagd, om na te gaan welk bedrag aan boetes openstond.
- Eiser heeft op 10 maart 2017 zijn eigen gegevens bevraagd om na te gaan of gegevens over zijn aanhouding in 2006 (nog) in de politiesystemen geregistreerd stonden.
- Eiser heeft op 23 oktober 2017 de gegevens van zijn (nieuwe) vriendin bevraagd, om haar adres te achterhalen.
- Eiser heeft op 26 april 2017 een kenteken van een motor bevraagd, omdat hij deze motor wilde kopen en wilde nagaan of er iets mis mee was.
- Eiser heeft op 14 november 2017 twee verschillende kentekens bevraagd, omdat deze auto’s zo geparkeerd stonden dat hij niet meer kon uitrijden met zijn auto.
6.3.2
Met betrekking tot het plichtsverzuim ‘Het delen van de vertrouwelijke politie-informatie met onbevoegde derden’ is uit het verrichte onderzoek het volgende gebleken:
- Eiser heeft op 4 november 2016 op verzoek van een vriend diens openstaande boetebedrag in het politiesysteem opgezocht en aan die vriend verteld wat hij aan openstaande boetes had. Vervolgens heeft eiser op verzoek van die vriend nagekeken of een andere kennis nog openstaande boetes heeft en heeft ook deze informatie aan die vriend doorgegeven.
6.3.3
Eiser betwist niet de juistheid van de gegevens over zijn onder 6.3.1 en 6.3.2 genoemde gedragingen. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens deugdelijk zijn vastgesteld. Deze gegevens tonen aan dat eiser herhaaldelijk politiesystemen heeft geraadpleegd voor privédoeleinden en dat eiser politie-informatie in ieder geval aan één onbevoegde derde (een vriend van hem) heeft gedeeld. Deze gedragingen leveren plichtsverzuim op.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.