Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2019:7638
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,945 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 18-453
Zaaknummer: C/09/559384
Datum beschikking: 29 april 2019
Beschikking op het op 5 september 2018 ingekomen verzoekschrift van:
[Y]
verzoeker,
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,
verblijvende te [verblijfplaats] ,
advocaat: mr. M.L. Hoogendoorn te Leiden (voorheen mr. N. van Bremen).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door mr. J.E.A. Pesch.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
de brief van 2 oktober 2018 van de IND;
de conclusie van de officier van justitie van 21 januari 2019;
de fax van 14 maart 2019 van verzoeker, met bijlagen.
Op 18 maart 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank door de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, zijn advocaat, de heer [naam tolk] , tolk Arabisch en mevrouw J.E.A. Pesch namens de IND.
De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.
Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie
Het verzoekschrift strekt tot:
vaststelling dat de minderjarige [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit bezit;
bepaling van een dag en uur waarop de behandeling van dit verzoekschrift zal
aanvangen;
uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring van deze beschikking;
veroordeling van de Staat der Nederlanden in de kosten van het geding.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.
De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.
Feiten
[minderjarige] is op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] geboren, als kind van [Y] (de vader tevens verzoeker) en [X] (de moeder).
Blijkens de akte van geboorte van [minderjarige] is de vader op [geboortedatum] 1981 geboren te [geboorteplaats] , Israël en is de moeder geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , Israël.
De vader en de moeder verblijven sinds 23 september 2014 in Nederland. Zij zijn niet in het bezit van een verblijfsvergunning.
Beoordeling
In geschil is of de minderjarige [minderjarige] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe aan dat [minderjarige] door geboorte in Nederland en het feit dat hij staatloos is de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verzoeker geeft aan dat de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) niet voorziet in de huidige situatie van zijn zoon [minderjarige] . Verzoeker meent een beroep te kunnen doen op het Verdrag van New York, het “Staatloosheidsverdrag”, welk verdrag bij Rijkswet van 19 december 1984 is goedgekeurd en op 11 augustus 1985 in werking is getreden. Ook verwijst verzoeker naar het Europees Verdrag inzake nationaliteit. Uit het “Staatloosheidsverdrag” volgt volgens verzoeker dat kinderen van ouders die duurzaam verblijf hebben in Nederland in aanmerking komen voor de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker verwijst naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van dit verdrag in samenhang met artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b. Deze bepalingen zijn ieder verbindende bepalingen van internationaal recht als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Deze bepalingen uit het “Staatloosheidverdrag” hebben volgens verzoeker rechtstreekse werking. Uit de verdragstekst volgt niet dat hiervoor is vereist dat het bevoegd gezag heeft ingestemd met het duurzaam verblijf.
Daarnaast stelt verzoeker dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de RWN, voor zover hierin is vereist dat de staatloze vreemdeling tenminste drie jaren toelating heeft, buiten toepassing dient te worden gelaten, omdat deze bepaling in strijd is met een ieder verbindende bepaling van internationaal recht.
De IND stelt voorop dat de rechtbank in onderhavige procedure op grond van artikel 17 RWN slechts kan overgaan tot een eventuele vaststelling van het Nederlanderschap. De rechtbank kan het Nederlanderschap niet (alsnog) toekennen, zodat het verzoek voor wat betreft verkrijging van het Nederlanderschap (door optie in verband met staatloosheid) niet kan worden toegewezen.
De IND stelt dat zich geen bepaling uit de RWN voordoet op grond waarvan het Nederlanderschap van rechtswege is verkregen door [minderjarige] . De IND verwijst naar de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is overwogen dat het Nederlanderschap enkel kan worden verkregen op grond van de limitatieve bepalingen in de RWN.
De IND merkt ten overvloede op dat, nog afgezien van de vraag of [minderjarige] staatloos is, op grond van de huidige RWN geen optieverklaring voor [minderjarige] kan worden afgelegd op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN ter verkrijging van het Nederlanderschap. Hij heeft immers geen verblijfsvergunning (toelating) in Nederland. De wetgever heeft wel de intentie om ook in Nederland geboren staatloze illegale kinderen onder voorwaarden een optierecht te geven, maar deze intentie is tot op heden een wetsvoorstel dat nog bij de Tweede Kamer ingediend moet worden.
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 RWN. Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen.
Gesteld noch gebleken is dat [minderjarige] op grond van een bepaling van de RWN het Nederlanderschap heeft verkregen. Verzoeker geeft ook zelf aan dat de RWN niet voorziet in de situatie van [minderjarige] . Nu de wijzen van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit of het behouden daarvan limitatief zijn opgesomd in de RWN en de situatie van [minderjarige] niet onder een van deze bepalingen valt, volgt hieruit dat [minderjarige] noch bij zijn geboorte noch op enig ander tijdstip nadien de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Het beroep van verzoeker op het “Staatloosheidsverdrag” maakt dit niet anders, nu de rechtbank in deze procedure immers gehouden is aan het wettelijke kader van de RWN en geen Nederlanderschap kan verlenen maar slechts kan vaststellen.
Het verzoek om vast te stellen dat [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, M.P. Verloop en I. Zetstra, rechters, bijgestaan door mr. M.T.E. Krijger-van Huut als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2019.