Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2019:6499
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
1,860 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.12326 en NL19.12328
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1], eiser
[naam 2]
, eiseres
Hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. J. de Jong),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.F.M. van Raak).
Procesverloop
Bij besluiten van 27 mei 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL19.12327 en NL19.12329, plaatsgevonden op 13 juni 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers stellen de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Zij hebben op 3 augustus 2018 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvragen van eisers. Op 13 september 2018 respectievelijk 24 september 2018 heeft verweerder Italië verzocht om eisers terug te nemen. Italië heeft met dit verzoek ingestemd op 23 september 2018 respectievelijk 23 november 2018 op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, respectievelijk onder a, van de Dublinverordening.
3. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder op basis van artikel 17 van de Dublinverordening gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om hun asielaanvragen alsnog aan zich te trekken, omdat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers stellen dat er, door de invoering van het Salvini-decreet, systematische tekortkomingen zijn ontstaan in kwantiteit en kwaliteit van de Italiaanse opvangvoorzieningen en dat de eenheid van het gezin in deze opvangvoorzieningen niet wordt gewaarborgd. Met name eisers, als (toekomstig) kwetsbaar gezin, lopen hierdoor een reëel risico op behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eisers naar het rapport van AIDA en het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe. Uit deze rapportage blijkt dat sinds de invoering van het Salvini-decreet, Dublin-terugkeerders vaak geen opvang krijgen, of alleen nog maar opvang krijgen in de eerstelijnsopvang- en noodcentra (CAS). Deze opvang is niet geschikt voor pasgeborenen, en er worden geen diensten voor kwetsbare gezinnen verleend. Dit geldt temeer nu deze CAS-opvang in de toekomst nog verder versoberd zal worden. Eisers verwijzen ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarbij de rechtbank heeft getoetst aan het Tarakhel-arrest.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recentelijk meerdere uitspraken heeft gedaan over Italië en het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van ook kwetsbare Dublin-terugkeerders, ziet de rechtbank geen aanleiding het beroep van eisers aan te houden tot na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 10 april 2019.
5. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eisers. In geschil is of verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de asielaanvragen van eisers alsnog aan zich had moeten trekken. De rechtbank overweegt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen ten opzichte van eisers nakomt. Het ligt daarom op de weg van eisers om aan te tonen dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6. De Afdeling heeft in de uitspraken van onder andere 19 december 2018, 27 februari 2019, 8 april 2019 en 12 juni 2019 bevestigd dat verweerder ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, en dat eisers in Italië toegang zullen krijgen tot adequate zorg en opvang. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het Salvini-decreet vooralsnog niet ertoe heeft geleid dat er structurele tekortkomingen zijn ontstaan in de opvangomstandigheden en de asielprocedure, en evenmin dat asielzoekers zonder meer een reëel risico lopen op behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De ingebrachte rapportage kan niet leiden tot een ander oordeel. Verweerder heeft terecht gesteld dat deze informatie dezelfde is, dan wel vergelijkbaar is met het de rapportage die reeds is meegewogen door de Afdeling in voornoemde uitspraken.
Verweerder heeft terecht overwogen dat, anders dan eisers stellen, er geen sprake is van een situatie zoals in de zaak Tarakhel, omdat niet langer onduidelijk is of bij gezinnen met minderjarige kinderen de gezinseenheid wordt bewaard. In de ‘Circular Letter’ van 8 januari 2019 hebben de Italiaanse autoriteiten immers gegarandeerd dat adequate opvang wordt geboden, en dat fundamentele rechten, waaronder de gezinseenheid en de bescherming van minderjarigen, wordt gerespecteerd. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag van de volledigheid en juistheid van die gegevens worden uitgegaan.
Voor zover eisers betogen dat Italië zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, heeft verweerder terecht verwezen naar het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk, van 2 december 2008. Indien Italië zich ten opzichte van eisers niet houdt aan zijn verplichtingen, dienen eisers zich hierover te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten.
8. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) nr. 604/2013
Italiaans wetsdecreet nr. 113/2018, van 5 oktober 2018
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Asylum Information Database landenrapport van 16 april 2019
Rapport Aktuelle Situation für Asylsuchende in Italien van 8 mei 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:5081
Arrest van het Europees Hof van de Rechten voor de Mens van 4 november 2014, Tarakhel t. Zwitserland, 29217/12
ECLI:NL:RBMNE:2019:1488
ECLI:NL:RVS:2018:4131
ECLI:NL:RVS:2019:653
ECLI:NL:RVS:2019:1085
ECLI:NL:RVS:2019:1861
Richtlijn 2013/33/EU
ECLI:NL:XX:2008:BG9802, JV 2009/41