Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2019:6470
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
1,882 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.11484
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, waaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).
Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL19.11485, plaatsgevonden op 6 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Luesink. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarbij wijst verweerder erop dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Italië en dat de autoriteiten van Italië het verzoek om eiser terug te nemen hebben geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser voert aan dat hij hier te lande aangifte wenst te doen van mensenhandel en dat er om die reden geen sprake kan zijn van overdracht aan Italië. Eiser heeft een brief overgelegd waaruit blijkt dat er op 5 juni 2019 een intakegesprek zal plaatsvinden bij de politie. Ter zitting is toegelicht dat de daadwerkelijke aangifte naar verwachting over enkele weken zal plaatsvinden. Verder wijst eiser ter onderbouwing op enkele uitspraken.
5. Deze grond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank verzetten het doel en de strekking van de Dublinverordening zich ertegen dat een overdracht van een vreemdeling aan de lidstaat die in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling, wordt opgeschort voor het doen van aangifte van mensenhandel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het hierbij niet gaat om een aspect dat rechtstreeks relevant is voor de behandeling van de asielaanvraag. Verder moet ervan uit worden gegaan dat ook in de verantwoordelijke lidstaat een behoorlijke mogelijkheid bestaat om aangifte te doen. Bovendien volgt uit B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat pas sprake kan zijn van het verlenen van een verblijfstitel op grond van een aangifte van mensenhandel als de daadwerkelijke aangifte door de politie of de marechaussee aan verweerder is toegezonden. In eisers geval is daarvan geen sprake. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4297).
6. Eiser voert daarnaast aan dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Eiser wijst erop dat hij kwetsbaar is omdat hij afhankelijk is van dagelijks insulinegebruik. Eiser heeft twee brieven overgelegd van zijn internist waarin dit wordt bevestigd en waaruit blijkt dat het uitblijven van insulinegebruik kan resulteren in een coma of mogelijk zelfs in overlijden. Volgens eiser kan er niet vanuit worden gegaan dat hij in Italië adequaat zal worden behandeld. Daarbij wijst eiser op het rapport ‘Aktuelle Situation für Asylsuchende in Italien’ van SFH/OSAR van 8 mei 2019. Ook beroept eiser zich op het arrest van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 inzake C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127).
7. Ook deze grond slaagt niet. De Afdeling heeft recentelijk herbevestigd in de uitspraak van 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1526) dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook waar het gaat om de aldaar aanwezige medische voorzieningen. Het rapport van SFH/OSAR waar eiser op wijst is weliswaar van eerdere datum, maar wordt niet kenbaar in de uitspraak meegewogen. De rechtbank ziet in het rapport echter geen aanleiding om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Eiser heeft gewezen op paragraaf 3.2 op de bladzijden 14 en verder. Daaruit blijkt dat asielzoekers in Italië ook na inwerkingtreding van het Salvini-decreet recht hebben op reguliere gezondheidszorg. In de praktijk kan het weliswaar lang duren voordat er daadwerkelijk toegang is tot reguliere gezondheidszorg, maar daarnaast is er altijd recht op acute gezondheidszorg.
8. Verder weegt de rechtbank mee dat eiser geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat hem eerder in Italië noodzakelijke medische zorg zou zijn ontzegd. Ook moet verweerder op grond van artikel 32 van de Dublinverordening de Italiaanse autoriteiten informeren over de medische toestand van eiser, zodat er in Italië kan worden voorzien in eisers actuele behoefte aan medische zorg.
9. Gelet op het voorgaande bestaat er evenmin aanleiding om aan te nemen dat de overdracht van eiser ertoe leidt dat hij terecht zal komen in een situatie die zal leiden tot een onomkeerbare medische achteruitgang, zodat zijn beroep op het arrest C.K. tegen Slovenië hem niet kan baten.
10. Voor zover eiser met het gebruik van de term ‘kwetsbaar’ een beroep heeft willen doen op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 inzake Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712) overweegt de rechtbank als volgt. In dit arrest is geoordeeld dat alle asielzoekers kwetsbaar zijn, maar dat slechts ten aanzien van asielzoekers die bijzonder kwetsbaar zijn aanleiding kan bestaan om aanvullende garanties te vragen aan de ontvangende lidstaat. De rechtbank is van oordeel dat uit het enkele feit dat eiser insulineafhankelijk is niet is gebleken van bijzondere kwetsbaarheid zoals bedoeld in dit arrest.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vzr. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, 26 maart 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:2712); Vzr. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 21 mei 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:5480); Vzr. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 25 mei 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:5481).