Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-04-05
ECLI:NL:RBDHA:2019:4834
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,578 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.3466 en NL19.3468
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam] , [naam 2] , eiseresmede namens hun minderjarige kind [naam 3]
gezamenlijk te noemen eisers
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Hoof).
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 14 februari 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De bespreking van de beroepen heeft, samen met de behandeling van de zaken NL19.3467 en NL19.3469, plaatsgevonden op 21 maart 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers zijn van Syrische nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum 2] . Hun dochtertje is geboren op [geboortedatum 3] . Eisers zijn op 5 juni 2018 Nederland ingereisd en hebben op 13 juni 2018 asielaanvragen ingediend.
2. Bij de bestreden besluiten zijn deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Griekenland hen op 14 november 2017 internationale bescherming heeft verleend. Van eisers kan worden verlangd dat zij terugkeren naar Griekenland. Volgens verweerder kan er ten aanzien van Griekenland worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er is weliswaar sprake van moeilijke omstandigheden in Griekenland, maar de situatie is niet zodanig slecht dat er sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM. Niet is gebleken dat het gehandicapte dochtertje van eisers na terugkeer in Griekenland niet de benodigde medische zorg zal ontvangen. Eisers hadden tijdens hun verblijf daar toegang tot medische zorg. Daaruit blijkt de intentie van de Griekse autoriteiten om het dochtertje te beschermen en adequate medische zorg te verlenen. Uit de brief van het Radboud universitair medisch centrum (Radboudumc) van 28 januari 2019 valt af te leiden dat het dochtertje in Griekenland een benodigde operatie heeft ondergaan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de medische toestand van hun dochtertje bij terugkeer naar Griekenland aanzienlijk en onomkeerbaar achteruit zal gaan. Eisers dienen de kwaliteit van de opvang en de fysieke afstand tot medische zorg in Griekenland bij de autoriteiten daar aan de orde te stellen, aldus verweerder.
3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten. Wat zij daartoe hebben aangevoerd, wordt hierna beoordeeld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eisers betogen dat ten aanzien van Griekenland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat zij als statushouder bij terugkeer naar Griekenland een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarbij dient volgens eisers betrokken te worden dat zij vanwege de ernstige gezondheidsproblemen van hun dochtertje [naam 3] als kwetsbare personen zijn aan te merken en dat het belang van het kind een eerste overweging dient te vormen. Uit brieven van het Radboudumc van 26 juni 2018 en 28 januari 2019 blijkt dat [naam 3] geboren is met multipele congenitale aandoeningen, meer in het bijzonder twee gaatjes in het hart, afwijkende oorschelp rechts, afwijking anus, afwijking wervelkolom (onder meer rhombenchaphalosynapsis) en slokdarmafsluiting (oesofagusatresie). [naam 3] is direct na de geboorte in Griekenland voor een eerste keer geopereerd aan de slokdarmafsluiting en heeft daarnaast met zeer frequente luchtweginfecties te maken, chronische ondervoeding en dreigende dehydratie bij voedingsproblemen, en bilaterale doofheid. Bij opname op 14 juni 2018 in het Radboudumc woog [naam 3] bij een leeftijd van 10 maanden en een lengte van 68 cm 5500 gram en werd chronische ondervoeding vastgesteld.
Eisers zijn van mening dat de in Griekenland geboden medische zorg structureel onvoldoende adequaat was, anders zou immers de gezondheidstoestand van [naam 3] in Griekenland niet zo sterk achteruitgegaan zijn. Daarbij kwam dat zij iedere zes maanden moesten verhuizen en de afstand tot een ziekenhuis te groot was. De kwaliteit van de huisvesting voldeed evenmin. Eisers merken verder op onder verwijzing naar het AIDA-rapport van 30 maart 2018 dat statushouders weliswaar recht hebben op gratis toegang tot gezondheidszorg, maar dat die toegang ook voor kwetsbare personen verslechtert als gevolg van de financiële crisis en de structurele gebreken van het Griekse gezondheidssysteem. Eisers stellen zich onder verwijzing naar het arrest C.K. tegen Slovenië en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 juli 2018, op het standpunt dat uitzetting naar Griekenland een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van [naam 3] .
5. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 mei 2018 zijn statushouders onder de Griekse wet gelijk aan Griekse staatsburgers. De situatie voor statushouders in Griekenland is moeilijk. Zo is het voor statushouders moeilijk om betaald werk te vinden, is de toegang tot gezondheidszorg moeizaam en zijn statushouders volledig op zichzelf aangewezen om huisvesting te vinden. De situatie in Griekenland voor statushouders is echter niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. Eisers hebben geen informatie naar voren gebracht die leidt tot een andere conclusie dan die van de Afdeling in de voornoemde uitspraak. De beroepsgrond dat ten aanzien van Griekenland niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
6. In het door eisers aangehaalde arrest C.K. tegen Slovenië van 16 februari 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat in omstandigheden waarin de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die asielzoeker zou inhouden, de overdracht een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) vormen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980) volgt daaruit dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Dit geldt ook voor de situatie dat moet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals hiervoor is vastgesteld.
7. Overwogen wordt dat dit arrest weliswaar gaat over de overdracht in het kader van de uitvoering van de Dublinverordening, maar dat de daarin opgenomen norm voor de beoordeling van schending van artikel 4 van het Handvest, en dus ook van artikel 3 van het EVRM, van overeenkomstige toepassing is voor uitzetting.
8. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat bij terugkeer naar Griekenland de medische toestand van [naam 3] aanzienlijk en onomkeerbaar achteruit zal gaan, als bedoeld in het arrest C.K tegen Slovenië. Op basis van de uitgebreide medische informatie van het Radboudumc moet worden vastgesteld dat [naam 3] bij aankomst in Nederland ernstig ondervoed was als gevolg van haar aangeboren medische afwijkingen. Niet in geschil is dat eisers in Griekenland (zij het moeizaam) toegang hadden tot medische zorg. Uit de ernst van de gezondheidssituatie van [naam 3] kan echter niet anders dan geconcludeerd worden dan dat de in Griekenland geboden behandeling onvoldoende adequaat was. Daarbij is van belang dat de ouders gedurende langere tijd (tien maanden) getracht hebben de juiste medische behandeling te verkrijgen voor [naam 3] en dat zij pas bij een levensbedreigende situatie voor [naam 3] Griekenland verlaten hebben om elders specialistische medische zorg voor haar te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de overgelegde medische verklaringen van het Radboudumc van 26 juni 2018, 24 augustus 2018, 8 oktober 2018, 8 november 2018 en 28 december 2018, steun voor het oordeel dat de medische toestand van [naam 3] bijzonder ernstig is en dat uitzetting naar Griekenland een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van [naam 3] . Uit de verklaring van 24 augustus 2018 van J.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024 (duizendvierentwintig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Asylum Information Database
16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127
ECLI:NL:RBDHA:2018:9428
ECLI:NL:RVS:2018:1795
Verordening (EU) nr. 604/2013