Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2019:2349
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,539 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.3238
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.3239, plaatsgevonden op 5 maart 2019. Zowel eiser als zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Eiser heeft op 6 november 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat
eiser op 7 november 2016 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 30 november 2018 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.
De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel
er in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan internationale
verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan
worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien
eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen
vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met
artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (hierna: EVRM).
Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
(hierna: de Afdeling), zoals bijvoorbeeld de uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) en 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:130) volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zo heeft de Afdeling in de uitspraak van 19 december 2018 ten aanzien van het zogenaamde Salvini‑decreet dat op 29 november 2018 in werking is getreden overwogen dat dit decreet weliswaar een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft, maar dat niet gebleken is dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. De Afdeling overweegt dan ook dat er geen sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling ook geoordeeld dat, nog afgezien van het voornoemde decreet, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat in het algemeen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling verwijst daarbij onder andere naar de beslissing van het Europese Hof voor de
Rechten van de Mens van 7 juni 2018. In deze beslissing heeft het Hof overwogen dat de
situatie in Italië niet vergeleken kan worden met de situatie in Griekenland ten tijde van het
arrest in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De door eiser aangehaalde rapporten geven geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie dan die de Afdeling bij haar laatste uitspraken heeft betrokken. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om in geval van eiser anders dan de Afdeling te oordelen.
Eisers betoog dat op zijn asielaanvraag in Italië nog niet is beslist en hij uit de opvang is geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel. Met de acceptatie van het terugnameverzoek hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te zullen nemen. Eiser kan zich, indien hij meent dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangprocedure beklagen bij de Italiaanse autoriteiten of (indien nodig) het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid voor hem niet bestaat. De enkele stelling dat geen enkele asielzoeker in Italië kan klagen is daartoe onvoldoende.
Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die voor
verweerder aanleiding zouden kunnen zijn om op grond van artikel 17 van de
Dublinverordening het verzoek van eiser in behandeling te nemen. De rechtbank overweegt dat hetgeen de gemachtigde van eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de opvang in Italië geen bijzondere individuele omstandigheid betreft. Eiser heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd dat de Italiaanse autoriteiten hem anders zullen behandelen voor wat betreft de behandeling van zijn asielverzoek of opvang dan andere vreemdelingen die naar Italië worden overgedragen onder de werking van de Dublinovereenkomst.
Het beroep is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. Tempelman, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.