Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-11-06
ECLI:NL:RBDHA:2019:15161
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,881 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/580916 / KG ZA 19/948
Vonnis in kort geding van 6 november 2019
in de zaak van
Autoriteit Persoonsgegevens te Den Haag, eiser,
advocaat mr. J.L. Naves te Den Haag, tegen:
[gedaagde] te [woonplaats] ( [land] ), gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de AP' en ' [gedaagde] '.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de akte houdende een wijziging van eis;
- de door [gedaagde] overgelegde producties;
- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.
1.2.
Op 6 november 2019 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 14 november 2019.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[gedaagde] is een zoon van de heer [naam 1] , eigenaar van voormalig camping [camping] in [plaats] (onderdeel van de gemeente [gemeente] ). [gedaagde] en zijn vader verschillen met de gemeente [gemeente] en andere overheden van inzicht over de gedwongen ontruiming en sluiting van de camping [camping] en andere zaken. Sinds januari 2017 publiceert [gedaagde] hierover teksten op de website " [website] ' (hierna: de website).
2.2.
In 2018 heeft de vader van [gedaagde] een klacht ingediend bij de AP over het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Zeeland-West Brabant (hierna: het RIEC). De klacht luidde dat het RIEC de persoonsgegevens van de vader van [gedaagde] onrechtmatig verwerkt. Het RIEC is een publieke organisatie die zich richt op de bestrijding van
ondermijnende criminaliteit. Er bestaan tien RIEC's in Nederland, opgedeeld in regio's. De RIEC's verbinden informatie, expertise en krachten van verschillende overheidsinstanties en stimuleren de publiek-private samenwerking bij de aanpak van ondermijning.
2.3.
Na bestudering van de klacht heeft de AP besloten de klacht niet (verder) in behandeling te nemen omdat in de visie van de AP onvoldoende aannemelijk was geworden dat het RIEC in strijd handelde met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en/of de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dat is bij brief van 5 februari 2019 meegedeeld aan de juridisch adviseur van de vader van [gedaagde] . De vader van [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zijn bezwaar is nog in behandeling.
2.4.
Op 17 april 2019 heeft [gedaagde] een artikel gepubliceerd op de website met als titel: "Integrale aanpak ondermijnende criminaliteit: de nieuwe IRT-affaire?". Dat artikel vermeldt, voor zover hier relevant:
"Met de uitwisseling van persoonsgegevens binnen het RJEC is vanaf 2009 eerst de Wet bescherming persoonsgegevens volledig opzij geschoven. Met de inwerkingtreding van de AVG wordt deze illegale werkwijze niet alleen onbegrensd voortgezet. Deze wordt onder gejuich van de politiek aanzienlijk uitgebreid. ( ..) Ook de verantwoordelijk toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), ontbreekt geheel in het debat. ( ..) De AP is door ons sinds 2015 herhaaldelijk gewezen op deze illegale praktijken van het RJEC. De AP geeft echter niet thuis. De uitwisseling van persoonsgegevens zoals dit binnen de partners van het RJEC plaatsvindt, is echter niet mogelijk. De AVG is juist ontworpen om de burger te beschermen tegen overheden die op dit soort ideeën komen. "
In het artikel is een foto ingevoegd van medewerker van de AP [naam 2] , met als onderschrift: " [naam 2] behandelend inspecteur van de AP".
2.5.
Op 23 mei 2019 heeft [gedaagde] een artikel gepubliceerd op de website met als titel "Wél krachtdadig optreden Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen persvrijheid". Dat artikel vermeldt, voor zover hier relevant:
"In ons vorige artikel beschreven we dat de door de politiek bejubelde aanpak van ondermijnende criminaliteit de AVG op grove wijze willens en wetens terzijde schuift. Hierbij hebben we opgemerkt dat door ons deze overtredingen sinds 2015 zonder resultaat herhaaldelijk bij de Autoriteit Persoonsgegevens onder de aandacht gebracht zijn. In de illustratie bij het artikel is de inspecteur [naam 2] , die onze laatste klacht afserveerde, in het zonnetje gezet. Dan blijkt ineens dat de AP toch daadkrachtig kan optreden. Weliswaar niet tegen AVG-overtredingen, maar wel tegen de persvrijheid. Binnen 24 uur na de plaatsing van het artikel meldde zich de AP met de sommatie om de gegevens van de medewerker van de website te verwijderen.
( ..)
e11 persvrijheid
Nadat hieraan geen gevolg gegeven werd, heeft mr. [naam 3] van de AP een handhavingstraject met dwangsommen en boetes in het vooruitzicht gesteld. Ook dient [website] direct maar alle andere namen en foto's van personen die in de verschillende artikelen genoemd worden te verwijderen. (..)
Dan de vraag waarom mevrouw [naam 3] niet gecharmeerd is van onze kritische artikelen over de onrechtmatige gegevensuitwisseling binnen de integrale aanpak. Het wekt immers verbazing dat een medewerkster van de AP een nieuwswebsite de mond probeert te snoeren die ernstige en structurele
overtredingen van de AVG aan de kaak stelt. Wat blijkt? [naam 3] is zelf acht jaar werkzaam geweest bij het openbaar ministerie als bestuursrechtkundige. Wij hebben in het kader van journalistieke hoor- en wederhoor [naam 3] voorgehouden dat het openbaar ministerie als deelnemer aan het RIEC een notoire overtreder van de AVG is. Bij het openbaar ministerie zijn doorgaans strafrechtspecialisten werkzaam zijn. Dat [naam 3] als bestuursrechtdeskundige daar werkzaam was, doet vermoeden dat zij zelf actief was bij of met het RIEC.
(..)
En door het aanstellen van medewerkers afkomstig uit het RIEC, heeft de integrale aanpak niets te vrezen. Veilig is veilig, zal men gedacht hebben."
2.6.
Op 30 augustus 2019 heeft de advocaat van de AP [gedaagde] gesommeerd de namen, informatie over het werkverleden en de afbeeldingen van de AP-medewerkers uit de bovengenoemde artikelen te verwijderen.
2.7.
Op 29 oktober 2019 heeft [gedaagde] een gerectificeerde versie van het eerste artikel geplaatst, met daarin de tekst:
"Hieronder leest u een gerectificeerd artikel. Het is gebaseerd op een eerder gepubliceerd artikel, de onjuiste gegevens zijn verwijderd. Dit betreft de persoonsgegevens van een AP medewerker die slechts een zeer beperkte rol heeft gehad in de klachtprocedure. Vermelding van [naam 4] is toegevoegd daar zij voorheen werkzaam is geweest in de Broedkamer van de belastingdienst.
(..)
Het heeft er alle schijn van dat de AP juist oud medewerkers van de grootste AVG overtreders gerekruteerd heeft. Eerder berichten we reeds over mr. van [naam 3] , bestuursrechtsdeskundig, afkomstig van het OM. Mevrouw [naam 4] heeft in de broedkamer voor de belastingdienst gewerkt. Weet u het nog? Het schandaal waar Zembla mee naar buiten kwam?
[naam 4] heeft zich beziggehouden met het dossier [camping] , en zij wenste van de geboden gelegenheid tot wederhoor geen gebruik te maken. "
In het artikel is een foto ingevoegd van medewerker van de AP [naam 4] , met als onderschrift: " [naam 4] , voorheen Broedkamer, nu AP medewerkster." Daarnaast is een link bijgevoegd naar de Linkedln-pagina van [naam 4] .
Geschil
3.1.
De AP vordert, zakelijk weergegeven en na wijziging van eis: primair:
1. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur de artikelen op de website te verwijderen en verwijderd te houden:
- de namen van de medewerkers van de AP mevrouw [naam 3] , mevrouw [naam 4] en de heer [naam 2] ;
- de foto's van de hiervoor genoemde medewerkers van de AP;
- verwijzingen en hyperlinks naar de social media-kanalen van de hiervoor genoemde medewerkers van de AP;
uit het artikel met als titel "Wél krachtdadig optreden Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen persvrijheid" (in de huidige vorm of in gewijzigde vorm) de volgende tekst:
"Dan de vraag waarom mevrouw [naam 3] niet gecharmeerd is van onze kritische artikelen over de onrechtmatige gegevensuitwisseling binnen de integrale aanpak. Het wekt immers verbazing dat een medewerkster van de AP een nieuwswebsite de mond probeert te snoeren die ernstige en structurele overtredingen van de AVG aan de kaak stelt. Wat blijkt? [naam 3] is zelf acht jaar werkzaam geweest bij het openbaar ministerie als bestuursrechtkundige. Wij hebben in het kader van journalistieke hoor- en wederhoor [naam 3] voorgehouden dat het openbaar ministerie als deelnemer aan het RIEC een notoire overtreder van de AVG is. Bij het openbaar ministerie zijn doorgaans strafrechtspecialisten werkzaam zijn. Dat [naam 3] als bestuursrechtdeskundige daar werkzaam was, doet vermoeden dat zij zelf actief was bij of met het RIEC."
- Uit het artikel met als titel "Rectificatie: AP draagt actief bij aan schending AVG" (in de huidige vorm of in gewijzigde vorm) de volgende tekst: "Vermelding van [naam 4] is toegevoegd daar zij voorheen werkzaam is geweest in de Broedkamer van de belastingdienst." en " [naam 4] , voorheen Broedkamer, nu AP medewerkster." •
Il. [gedaagde] te verbieden om op de website of op een vergelijkbare website artikelen te publiceren met daarin de namen of foto's van de onder I genoemde medewerkers van de AP of met daarin namen, foto's of andere persoonsgegevens van andere medewerkers van de AP die geen bestuurlijke functie hebben of woordvoerder zijn, tenzij deze personen daar expliciet toestemming voor hebben gegeven;
III. [gedaagde] te bevelen om binnen 48 uur een verzoek in te (doen) dienen bij internetzoekmachine Google, onder indiening van het vonnis bij Google, om de artikelen met de titels "Wél krachtdadig optreden Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen persvrijheid" en "Rectificatie: AP draagt actief bij aan schending AVG" (in huidige vorm of in gewijzigde vorm) en alle verwijzingen daarnaar te (doen) verwijderen uit de zoekresultaten van deze zoekmachine bij zoekopdrachten op de namen van de betreffende AP-medewerkers, alsook uit het 'cache-geheugen' daarvan, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de betreffende verzoeken aan de advocaat van de AP;
subsidiair:
IV. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis bovenaan de tekst/de pagina van het artikel met als titel "Wél krachtdadig optreden Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen persvrijheid" een rectificatie zoals genoemd in de dagvaarding op te nemen, in een opvallende banner of opvallend kader, en daaraan toegevoegd te houden tot aan het moment van het offline gaan van het artikel of het moment dat de AP schriftelijk verzoekt de rectificatie te verwijderen, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in hetzelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de koppen op de website, maar vetgedrukt en met het woord "Rectificatie" in het rood;
alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.2.
Daartoe voert de AP - samengevat - het volgende aan. [gedaagde] stelt individuele AP medewerkers met naam, foto en begeleid met ernstige, onjuiste suggesties centraal in zijn artikelen, zonder dat daarvoor enige aanleiding is. Dat schaadt deze niet-publieke personen en is onrechtmatig.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:569) volgt dat een werkgever de bevoegdheid heeft een vordering in te stellen ter bescherming van de belangen van haar (oud-)werknemers die volgens de werkgever worden geschaad door een publicatie waarin de werknemers een rol spelen in verband met de werkzaamheden die zij voor hun werkgever verrichten. De AP is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
4.2.
Bij de inhoudelijke beoordeling wordt vooropgesteld dat zich in de onderhavige procedure een botsing voordoet tussen twee fundamentele rechten. Enerzijds het recht van de werknemers van de AP op eerbiediging van hun eer en goede naam, zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM, en anderzijds het recht van [gedaagde] op vrije meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Toewijzing van het door de AP gevorderde zou een beperking inhouden van het recht op de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] . Dit recht kan slechts worden beperkt indien dat bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10, tweede lid, EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake indien de publicaties van [gedaagde] een zodanige inbreuk maken op de eer en goede naam van de medewerkers van de AP, dat die als onrechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de eer en goede naam - in het concrete geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Welk van de belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat hoor en wederhoor is geboden is een factor die van belang is bij de weging van de betrokken belangen, maar leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat (hoe dan ook) sprake is van een rechtmatige publicatie.
4.3.
[gedaagde] beoogt, zoals hij ter zitting ook heeft toegelicht, met zijn artikelen (vermeende) ernstige maatschappelijke misstanden aan de kaak te stellen. [gedaagde] heeft daarbij aangevoerd dat hij met zijn artikelen niet alleen zijn bezwaar uit tegen het feit dat de AP de klacht van zijn vader tegen het RIEC niet in behandeling neemt, maar ook - en vooral
- dat de AP de inbreuk op privacy door Nederlandse overheden faciliteert. Ook uit de inhoud van de artikelen kan worden afgeleid dat deze voornamelijk de handelwijze van de AP (en andere organisaties) aan de orde stellen. Dat is [gedaagde] op zichzelf toegestaan en de vorderingen van de AP richten zich daar ook niet tegen. Dat de artikelen "niet uit de lucht zijn gegrepen", zoals [gedaagde] aanvoert, behoeft dan ook geen bespreking.
4.4.
Buiten kijf staat dat de door [gedaagde] in de artikelen bij naam genoemde medewerkers van de AP niet zelf de publiciteit hebben gezocht en als zogenoemde niet-publieke personen moeten worden beschouwd, dat wil zeggen als personen die geen bestuurlijke functie hebben of woordvoerder zijn van de AP, maar die slechts het beleid van de AP uitvoeren. Alle gedragingen van deze personen moeten in beginsel, en mits deze passen in de normale taakuitoefening van deze personen, aan de AP worden toegerekend. Daarbij komt dat [gedaagde] in staat moet worden geacht de hiervoor genoemde misstanden ook aan de kaak te stellen zonder daarbij de AP-medewerkers [naam 3] , [naam 2] en [naam 4] te noemen. [gedaagde] heeft nog betoogd in zijn artikelen ook specifiek de omstandigheid aan de orde te hebben willen stellen dat enkele medewerkers van de AP voorheen functies hebben bekleed binnen organisaties die medeverantwoordelijk zijn voor de door de AP gefaciliteerde inbreuk op privacy door Nederlandse overheden. Wat daar ook van zij, [gedaagde] had daarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter evengoed kunnen volstaan met het gebruik van (deels)
geanonimiseerde of gefingeerde namen. Ook dit bezwaar van [gedaagde] richt zich immers in feite niet tegen de medewerkers persoonlijk, maar tegen de gang van zaken binnen de AP als geheel.
4.5.
De stelling van [gedaagde] dat hem meer vrijheid toekomt omdat zijn artikelen satirische columns zijn die de opinie van de columnist behelzen, kan niet worden gevolgd. In de artikelen worden de medewerkers niet op een humoristische wijze bespottelijk gemaakt, zoals kenmerkend is bij satire, maar wordt op een serieuze en kritische toon, onder verwijzing naar voorbeelden, de handelwijze van de AP beschreven.
4.6.
De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat de vermelding van individuele medewerkers van de AP in de artikelen op de website onrechtmatig is, omdat deze een niet gerechtvaardigde inbreuk vormt op hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
4.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vorderingen grotendeels zullen worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld de namen van de medewerkers van de AP mevrouw [naam 3] , mevrouw [naam 4] en de heer [naam 2] , en de foto van mevrouw [naam 4] van de website te verwijderen en verwijderd te houden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de AP geen belang meer heeft bij verwijdering van de naam en foto van [naam 2] , omdat die inmiddels van de website zijn verwijderd. Dat verweer slaagt alleen voor zover het ziet op de foto van [naam 2] . [gedaagde] heeft die foto, zo heeft de AP ook erkend, recent immers verwijderd uit het artikel "Integrale aanpak ondermijnende criminaliteit: de nieuwe IRT affaire?", evenals de naam van [naam 2] . De naam van [naam 2] stond ten tijde van de zitting nog wel vermeld in het artikel "Wél krachtdadig optreden Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen persvrijheid". De AP heeft belang bij het eveneens verwijderen daarvan. [gedaagde] heeft geen foto van mevrouw [naam 3] gepubliceerd, zodat het deel van de vordering dat tot verwijdering daarvan strekt, zal worden afgewezen. De vordering die verwijdering behelst van verwijzingen en hyperlinks naar de social media kanalen van de AP-medewerkers, zal worden toegewezen voor zover die betrekking heeft op mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] . Er zijn geen verwijzingen en hyperlinks in de artikelen opgenomen naar social media kanalen van [naam 2] .
4.8.
De AP vordert verder verwijdering van de gehele passage over mevrouw [naam 3] in het artikel "Wél krachtdadig optreden Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen persvrijheid". Die vordering zal worden afgewezen. Uit het voorgaand vloeit voort dat de naam van [naam 3] uit het artikel zal moeten worden verwijderd. [gedaagde] is echter niet gehouden de gehele passage te verwijderen, aangezien het hem vrij staat ook dit vermeende misstand binnen de AP (in geanonimiseerde vorm) aan de orde te stellen. [gedaagde] zal wel worden veroordeeld om de gehele passage over mevrouw [naam 4] te verwijderen, nu de AP onweersproken heeft betoogd dat de over haar vermelde informatie feitelijk onjuist is.
4.9.
[gedaagde] heeft er in het verleden blijk van gegeven er niet voor terug te deinzen artikelen aan te vullen met informatie over medewerkers van de AP nadat de AP daarover haar bezwaren kenbaar had gemaakt. Daarbij komt dat uit het betoog van [gedaagde] ter zitting kan worden afgeleid dat hij niet voornemens is zijn publicaties over de AP te staken. Gelet hierop bestaat aanleiding het onder II gevorderde toe te wijzen. Ook de vordering als genoemd onder III zal worden toegewezen, voor zover [gedaagde] dat nog niet heeft gedaan. De subsidiaire vorderingen behoeven geen bespreking meer.
4.10.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter beslist als volgt:
- gebiedt [gedaagde] om binnen 24 uur na heden uit de artikelen op de website [website] te verwijderen en verwijderd te houden:
• de namen van de medewerkers van de AP mevrouw [naam 3] , mevrouw [naam 4] en de heer [naam 2] ;
• de foto van mevrouw [naam 4] ;
• verwijzingen en hyperlinks naar de social media kanalen van mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] ;
• uit het artikel met als titel "Rectificatie: AP draagt actief bij aan schending AVG" (in huidige vorm of gewijzigde vorm) de volgende tekst: "Vermelding van [naam 4] is toegevoegd daar zij voorheen werkzaam is geweest in de Broedkamer van de belastingdienst." en " [naam 4] , voorheen Broedkamer, nu AP medewerkster.";
- verbiedt [gedaagde] om op de website [website] of op een vergelijkbare website artikelen te publiceren met daarin de namen of foto's van de hiervoor genoemde medewerkers van de AP, of met daarin namen, foto's of andere persoonsgegevens van andere medewerkers van de AP die geen bestuurlijke functie hebben of woordvoerder zijn, tenzij deze personen daarvoor toestemming hebben gegeven;
- beveelt [gedaagde] om binnen 48 uur een verzoek in te (doen) dienen bij internetzoekmachine Google, onder indiening van dit vonnis bij Google, om de artikelen met de titels "Wél krachtdadig optreden Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen persvrijheid" en "Rectificatie: AP draagt actief bij aan schending AVG" (in huidige of gewijzigde vorm) en alle verwijzingen daarnaar te (doen) verwijderen uit de zoekresultaten van deze zoekmachine bij zoekopdrachten op de namen van de betreffende AP-medewerkers, alsook uit het 'cachegeheugen' daarvan, voor zover [gedaagde] dit nog niet heeft gedaan, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de verzoeken aan de advocaat van de AP;
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de AP van een dwangsom van€ 500,-- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat hij in strijd handelt met een of meer van de bovenstaande ge- en verboden, met een maximum van€ 25.000,--;
- veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de AP te betalen, tot dusverre aan de zijde van de AP begroot op
€ 1.718,01, waarvan €980,-- aan salaris advocaat, €639,-- aan griffierecht en €99,01 aan dagvaardingskosten;
- bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2019.