Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-10-31
ECLI:NL:RBDHA:2019:11550
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,473 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.23054
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen,
[kind 1] , v-nummer: [nummer] ,
[kind 2] , v-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.G.Th. Omtzigt),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: J.P. Guerain).
Procesverloop
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.23055, plaatsgevonden op 24 oktober 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Griekse autoriteiten eiseres en haar kinderen internationale bescherming hebben verleend.
2. Eiseres wijst er op dat verweerder in het bestreden besluit de nationaliteit van haar kinderen heeft gewijzigd van ‘staatloos’ naar ‘de Syrische nationaliteit’. Verweerder heeft eiseres niet in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Dat is volgens haar onzorgvuldig. Eiseres heeft immers verklaard dat zij en haar echtgenoot (en hierdoor ook haar kinderen) van Palestijnse afkomst en dus staatloos zijn.
2.1
De rechtbank overweegt dat eiseres in deze beroepsprocedure de gelegenheid heeft gehad om te reageren op de wijziging van de nationaliteit van haar kinderen. Zij heeft echter niet nader onderbouwd waarom deze wijziging maakt dat het besluit met onvoldoende zorg is voorbereid. Ook is niet gebleken of gesteld dat de beoordeling anders uitgevallen zou zijn indien verweerder van de staatloosheid van de kinderen uit was gegaan. Daarom slaagt de beroepsgrond niet.
3. Eiseres voert aan dat zij vóór 26 juni 2018 (de datum waarop haar door de Griekse autoriteiten internationale bescherming is verleend) Griekenland heeft verlaten. Om die reden hebben de autoriteiten geen verblijfsvergunning aan eiseres overhandigd. Volgens eiseres staat hierdoor niet vast dat zij bij terugkeer alsnog in het bezit zal worden gesteld van een verblijfsvergunning en de benodigde documenten. Verweerder dient hier aanvullend onderzoek naar te doen, aldus eiseres.
3.1
Op 10 juni 2019 hebben de Griekse autoriteiten aan verweerder laten weten dat zij aan eiseres en de kinderen internationale bescherming hebben verleend. Zij hebben hen op 26 juni 2018 een vluchtelingenstatus toegekend. Verder melden de autoriteiten dat zij eiseres niet konden bereiken, daarom is geen verblijfsvergunning afgegeven.
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van deze recente informatie terecht op het standpunt gesteld dat eiseres internationale bescherming geniet in Griekenland. De rechtbank neemt verder in overweging dat uit de informatie niet is gebleken dat de verleende status is ingetrokken. Verder is niet onderbouwd gesteld dat eiseres haar verblijfsdocumenten niet (alsnog) in ontvangst zou kunnen nemen of dat, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, het toelatingsproces nog niet is voltooid vanwege het voortijdige vertrek van eiseres uit Griekenland. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Nu ervan uit kan worden gegaan dat eiseres internationale bescherming geniet in Griekenland, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres in beginsel een zodanige band heeft met Griekenland dat het voor haar redelijk zou zijn om daarheen te gaan.
Terugkeer als statushouder
5. Eiseres betoogt dat zij als statushouder bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie dat in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Hiertoe heeft eiseres gewezen op algemene informatie over statushouders die zij bij haar zienswijze heeft overgelegd. Dit betreft het document ‘Veelgestelde vragen – Statushouders in Griekenland’ van Vluchtelingenwerk Nederland van april 2019 en de brief van 11 april 2019 van Vluchtelingenwerk Nederland.
5.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak 30 mei 2018 overwogen dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk was. De situatie was echter niet zo slecht dat sprake was van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. Volgens de Afdeling stelde verweerder zich terecht op het standpunt dat hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan.
In twee uitspraken van 15 juli 2019 heeft de Afdeling opnieuw uitspraak gedaan over de situatie in Griekenland voor statushouders. Daarbij heeft zij recente rapporten en informatie betrokken en beoordeeld. Kort samengevat kwam de Afdeling tot het oordeel dat uit deze bronnen blijkt dat de situatie in Griekenland niet is verbeterd, maar ook niet is verslechterd. De Afdeling ziet in die bronnen daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan dat zij in haar uitspraak van 30 mei 2018 heeft gedaan. Verweerder mag ten aanzien van Griekenland dus nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.
5.2
De rechtbank ziet in de stukken die eiseres heeft overgelegd geen reden om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. Deze stukken bevatten namelijk informatie en/of een verwijzing naar informatie die de Afdeling al in haar uitspraken van 15 juli 2019 heeft beoordeeld, of zijn verouderd omdat de stukken zien op de situatie van vóór de beoordeelde situatie.
De verklaringen van eiseres over haar eigen ervaringen in Griekenland leiden ook niet tot een ander oordeel. Verweerder merkt terecht op dat onderscheid moet worden gemaakt tussen statushouders en asielzoekers. De verklaringen van eiseres zien niet op haar ervaringen als statushouder in Griekenland, maar zien op haar ervaringen als asielzoeker in Griekenland. Eiseres heeft immers Griekenland verlaten voordat aan haar internationale bescherming is verleend. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijzondere kwetsbaarheid
6. Eiseres betoogt dat in haar geval sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Zij is immers een alleenstaande moeder met twee kinderen van acht en twaalf jaar. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer naar Griekenland niet (onmiddellijk) de opvang en voorzieningen zal krijgen die in haar geval, als alleenstaande moeder met jonge kinderen, noodzakelijk zijn. Dat levert volgens haar strijd op met artikel 3 van het EVRM. Verder voert eiseres aan dat zij in een onmogelijke situatie terecht zal komen indien zij zelf in haar inkomen zal moeten voorzien. Om te gaan werken zal eiseres namelijk haar kinderen alleen achter moeten laten, en zij kunnen niet voor zichzelf zorgen. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar betoog op een eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2385) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 20 augustus 2019.
6.1
Ondanks het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan niet worden uitgesloten dat statushouders in een bepaalde lidstaat van de Europese Unie het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Hiervoor geldt wel een (hoge) drempel. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Ibrahim criteria gesteld.
Het Hof van Justitie benadrukt in de punten 89 en 90 van het arrest dat sprake moet zijn van tekortkomingen die een "bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid" bereiken. Of dat zo is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een "toestand van zeer verregaande materiële deprivatie", waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.
Uit de punten 91 en 92 van het arrest blijkt dat grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de leefomstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om de drempel te halen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen 4 weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795.
ECLI:NL:RVS:2018:1795 (https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@7235/201706354-1-v3/).
ECLI:NL:RVS:2019:2384 en ECLI:NL:RVS:2019:2385.
ECLI:NL:RBDHA:2019:9596.
ECLI:EU:C:2019:219.