Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-09-10
ECLI:NL:RBDHA:2019:10394
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak
1,070 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.19265 en NL19.19266
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 10 september 2019 in de zaak tussen
[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. N. Brands),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter/rechtbank (hierna: de rechtbank) onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel maakt dat verweerder in beginsel ervan mag uitgaan dat Italië de asielaanvraag inhoudelijk behandelt met inachtneming van het Europese recht. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval hiervan niet kan worden uitgegaan.
3. De rechtbank ziet in het wat eiser aanvoert geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat bij Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bij uitspraak van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd dat bij Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het AIDA-rapport "Country Report: Italy 2018 update" van 16 april 2019, waarop eiser een beroep doet, is door de Afdeling bij dit oordeel betrokken. Voor zover eiser verwijst naar het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH), ‘Aktuelle Situation für Asylsuchende in Italien’, van 8 mei 2019, schetst dit rapport geen wezenlijk ander beeld van de situatie zoals die door de Afdeling is beoordeeld. Het rapport ziet namelijk op een periode waarover de Afdeling zich heeft uitgelaten in de uitspraak van 12 juni 2019.
4. Het beroep op het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) van 21 januari 2011 (het arrest M.S.S.) kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Het EHRM heeft in de zaak H. tegen Zwitserland van 7 juni 2018 (ECLI:CE:ECHR:2018:0515DEC006798116) overwogen dat de situatie in Italië niet vergeleken kan worden met de situatie in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S.
5. Dat eiser schouderklachten heeft, maakt niet dat hij niet aan Italië kan worden overgedragen. Niet alleen komt eiser te laat met deze beroepsgrond, eiser heeft deze grond ook niet onderbouwd door medische stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij door deze medische klachten niet kan worden overgedragen aan Italië.
6. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank op het beroep beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. De rechtbank heeft partijen ter zitting gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
griffier rechter
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.