Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-06-07
ECLI:NL:RBDHA:2018:8759
Civiel recht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
4,720 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team Handel
zaak- / rekestnummer: C/09/542832 / KG RK 17-559
Beschikking van 7 juni 2018
in de zaak van
[verzoekster] ,
volgens het verzoekschrift wonende te [woonplaats 1] (Libanon),
verzoekster,
advocaat mr. L.W. Kasteleijn te Amsterdam,
tegen:
1 [verweerder 1] , wonende te [woonplaats 2] (Libanon),
2. de onderneming naar Libanees recht SOCIETÉ IMMOBILIÈRE DES CIMES, gevestigd te Beiroet Achrafieh (Libanon),
verweerders,
advocaat mr. M.W. Schüller.
Verzoekster zal hierna worden aangeduid als ‘ [verzoekster] ’. Verweerders zullen hierna ieder afzonderlijk worden aangeduid als ‘[verweerder 1]’ en ‘Des Cimes’ en zij zullen hierna tezamen worden aangeduid als ‘[verweerders]’.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van:
het door [verzoekster] bij de rechtbank Amsterdam ingediende verzoekschrift met de daarbij overgelegde producties;
de beschikking van 7 november 2017 van de rechtbank Amsterdam (zaak- en rekestnummer C/13/636276 / KG RK 17-1695), waarin zij zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het verzoek en de zaak in de stand waarin deze zich bevond heeft verwezen naar de rechtbank Den Haag;
de door [verzoekster] nadien overgelegde nadere producties (bij een stuk getiteld aanvullend verzoekschrift);
het verweerschrift van [verweerders] met producties;
de door [verzoekster] bij faxbericht van 9 mei 2018 overgelegde aantekeningen mondelinge behandeling, met producties;
de door [verweerders] bij brief van 14 mei 2018 overgelegde productie, zijnde een bij het verweerschrift per abuis ontbrekende productie. Bij deze brief zijn tevens twee aanvullende producties overgelegd, die de rechtbank echter buiten beschouwing laat om redenen als vermeld onder 1.3;
het faxbericht van 16 mei 2018 van [verzoekster] , waarin hij bezwaar maakt tegen de twee door [verweerders] bij brief van 14 mei 2018 overgelegde aanvullende producties.
1.2.
Op 17 mei 2018 is de zaak ter zitting behandeld, waarbij namens [verzoekster] twee advocaten zijn verschenen, te weten mr. L.W. Kasteleijn voornoemd en mr. M.B. Kasteleijn. Tevens is verschenen [verweerder 1] in persoon, bijgestaan door twee advocaten, te weten mr. Schüller voornoemd en mr. J.G. Kuitert, die tevens zijn verschenen voor Des Cimes.
1.3.
De rechtbank heeft ter zitting het bezwaar van [verzoekster] tegen het in aanmerking nemen van de twee bij brief van 14 mei 2018 door [verweerders] overgelegde aanvullende producties gehonoreerd. [verzoekster] heeft aannemelijk gemaakt dat hij, gelet op de (complexe) inhoud van die stukken – twee ‘legal opinions’ – en het late tijdstip van indiening daarvan, onvoldoende in de gelegenheid was om daar adequaat op te kunnen reageren. Acht slaan op deze stukken zou gelet daarop leiden tot een schending van hoor en wederhoor. Het verzoek van [verzoekster] om deze stukken wel in aanmerking te nemen en hem een termijn te geven om daar nog op te reageren, is door de rechtbank afgewezen. Beide partijen zijn in deze procedure genoegzaam in de gelegenheid gesteld om hun standpunt toe te lichten en ter onderbouwing daarvan tijdig stukken in het geding te brengen. Het honoreren van dat verzoek zou daarom ook in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank acht zich bovendien voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek.
Feiten
2.1.
Partijen hebben in het verleden zakelijke betrekkingen met elkaar onderhouden. Op enig moment is tussen hen een geschil ontstaan over geldvorderingen die [verweerders] stelden te hebben op [verzoekster] . Die vorderingen werden door [verzoekster] betwist. Partijen hebben daarover geprocedeerd in Frankrijk.
2.2.
In de Franse procedure hebben [verweerders] gevorderd dat [verzoekster] c.s. hen een bedrag van € 180.000,- dienden te betalen op grond van een door hen gesloten overeenkomst, en een bedrag van € 3.500.000,- aan schadevergoeding. Het Tribunal de Commerce heeft bij uitspraak van 9 oktober 2015 (hierna: ‘de Franse uitspraak in eerste aanleg’) [verzoekster] veroordeeld tot betaling van het eerstgenoemde bedrag aan [verweerder 1], vermeerderd met rente zoals in die uitspraak nader geconcretiseerd, en de vordering voor het overige afgewezen, welke uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. In het hoger beroep tegen dit vonnis heeft het Cour d’Appel de Paris in een uitspraak van 12 januari 2017 (hierna: ‘de Franse uitspraak in hoger beroep’) de veroordeling ter zake de betaling van het bedrag van € 180.000,-, te vermeerderen met rente, in stand gelaten, de Franse uitspraak in eerste aanleg voor het overige vernietigd en [verzoekster] veroordeeld om een bedrag van
€ 1.500.000,- aan schadevergoeding aan Des Cimes te betalen, alsmede een bedrag aan proceskosten, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
2.3.
[verzoekster] heeft inmiddels het genoemde bedrag van € 180.000,- aan [verweerder 1] betaald. Aan de veroordeling tot betaling van rente en tot betaling van een bedrag van € 1.500.000,- aan Des Cimes heeft [verzoekster] niet voldaan.
2.4.
In Frankrijk heeft zich verder onder meer, voor zover thans relevant, het volgende voorgedaan.
[verzoekster] heeft een strafrechtelijke aanklacht ingediend tegen [verweerder 1] wegens misleiding van de rechter. Inmiddels is besloten om niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan.
[verzoekster] heeft cassatieberoep ingesteld tegen de Franse uitspraak in hoger beroep. Dat cassatieberoep is op verzoek van [verweerders] op 9 november 2017 doorgehaald. Dat is in Frankrijk in beginsel mogelijk indien door een in hoger beroep veroordeelde nog geen uitvoering is gegeven aan een – uitvoerbaar bij voorraad verklaard – arrest, zoals hier het geval was. Bij deze beslissing is voorbij gegaan aan het verweer van [verzoekster] inhoudende dat, kort gezegd, nakoming voor hem onmogelijk en/of onredelijk bezwarend is. [verzoekster] kan binnen twee jaar opnieuw in cassatie gaan, mits hij alsnog voldoet aan de Franse uitspraak in hoger beroep;
[verzoekster] heeft daarna aan de Franse executierechter (hierna: ‘de JEX-rechter’) verzocht om, verkort weergegeven, ontneming van de uitvoerbaarheid bij voorraad aan de Franse uitspraak in hoger beroep. In dit verzoek is hij op 23 februari 2018 niet ontvankelijk verklaard. [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Op dat hoger beroep is nog niet beslist.
Aan [verweerders] zijn door het Court d’Appel certificaten afgegeven op grond van artikel 53 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), hierna te noemen: ‘de herschikte EEX-verordening’.
2.5.
In Nederland speelt het volgende.
[verweerders] hebben op 22 september 2017 executoriaal beslag laten leggen op alle aandelen van [verzoekster] in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jemnice B.V. (hierna: ‘het beslag’).
[verzoekster] is kort daarna de onderhavige procedure gestart.
[verweerders] hebben op 20 oktober 2017 aan deze rechtbank verzocht te bepalen dat en binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan, zoals voorgeschreven in artikel 474g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna ook: ‘de 474g-procedure’. In die procedure heeft ook een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 17 mei 2018, aansluitend aan de mondelinge behandeling in dit geding. Op dat verzoek zal ook vandaag worden beslist.
[verzoekster] is eind 2017 bij de rechtbank Den Haag een kort geding gestart waarin hij, kort gezegd, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het beslag heeft gevorderd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbrak echter aan de zijde van [verzoekster] een rechtens te respecteren belang daarbij. Dat was volgens de voorzieningenrechter het geval omdat verkoop van de aandelen eerst kan plaatsvinden nadat de rechtbank het verzoek in de 474g-procedure heeft toegewezen en de rechter in die procedure ook de rol van executierechter kan vervullen en derhalve kan oordelen over de door [verzoekster] in het kort geding aangevoerde gronden om tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de Franse uitspraak in hoger beroep te komen. De vordering in kort geding is daarom bij vonnis van 22 januari 2018 afgewezen. [verzoekster] heeft hoger beroep aangetekend tegen dat vonnis. Daarop is nog niet beslist.
Geschil
3.1.
[verzoekster] verzoekt de tenuitvoerlegging van de Franse uitspraak in hoger beroep te weigeren dan wel de tenuitvoerleggingsprocedure tot bewarende maatregelen te beperken, deze afhankelijk te maken van het stellen van zekerheid of deze geheel of gedeeltelijk te schorsen.
3.2.
Daartoe voert [verzoekster] – samengevat – het volgende aan. De tenuitvoerlegging van de Franse uitspraak in hoger beroep dient te worden geweigerd omdat deze om meerdere redenen kennelijk in strijd is met de openbare orde in Nederland zoals bedoeld in artikel 45 lid 1 sub b van de herschikte EEX-verordening, dan wel op een andere vergelijkbare grond. Op de eerste plaats kan [verzoekster] zijn cassatieverzoek in Frankrijk nog voortzetten. De JEX-rechter kan in het aanhangige hoger beroep namelijk nog betalingsuitstel aan [verzoekster] verlenen door ontneming van de uitvoerbaarheid bij voorraad aan de Franse uitspraak in hoger beroep, waarmee de weg naar cassatie openligt. [verzoekster] overweegt om anders een bedrag “in escrow” te stellen als zekerheid voor het geval de cassatie faalt. Ook dan krijgt hij toegang tot cassatie en deze heeft een grote slagingskans. [verzoekster] overweegt verder om een civiele procedure te starten, waarin hij kan verzoeken om een schadevergoeding ter hoogte van het bedrag dat hij op grond van de Franse uitspraak in hoger beroep moet betalen. Daarmee zou die uitspraak worden geneutraliseerd. Ten slotte is tenuitvoerlegging van de Franse uitspraak in hoger beroep in strijd met de openbare orde in Nederland, omdat [verweerders] de zogenaamde exequator-procedure op grond van de Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX-verordening) had moeten volgen in plaats van de certificaatprocedure op grond van de herschikte EEX-verordening, aldus steeds [verzoekster] .
3.3.
[verweerders] voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 46 van de herschikte EEX-verordening wordt de tenuitvoerlegging van de Franse uitspraak in hoger beroep geweigerd, wanneer een van de in artikel 45 van die verordening genoemde gronden zich voordoet. Volgens [verzoekster] is daarvan sprake nu tenuitvoerlegging om meerdere redenen kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat. Dit betreft de weigeringsgrond als vermeld in artikel 45 lid 1 sub a (de rechtbank gaat ervan uit dat bij de consequente verwijzing door [verzoekster] naar artikel 45 lid 1 sub b sprake is een kennelijke vergissing, nu daarin een geheel andere weigeringsgrond staat vermeld betreffende verstekzaken, die hier niet van toepassing is). De rechtbank volgt [verzoekster] niet in dit standpunt en daartoe is het volgende redengevend.
4.2.
Uit de jurisprudentie over het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (het EEX-verdrag) en over de EEX-verordening volgt, dat de in dat verdrag en die verordening voorkomende openbare orde-clausule strikt dient te worden uitgelegd en slechts in uitzonderlijke gevallen met succes kan worden ingeroepen (zie onder meer Hoge Raad 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0002). Hierop kan enkel een geslaagd beroep worden gedaan indien de beslissing van de rechter in de andere lidstaat op onaanvaardbare wijze botst met de rechtsorde van de aangezochte lidstaat, doordat inbreuk wordt gemaakt op fundamentele rechten of op een fundamenteel beginsel. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer bij de hier van toepassing zijnde herschikte EEX-verordening, die tot doel heeft zoveel als mogelijk het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken. Deze weigeringsgrond is in de herschikte EEX-verordening bovendien exact hetzelfde geformuleerd als in de EEX-verordening.
4.3.
De enkele omstandigheid dat er in Frankrijk nog een procedure loopt en dat [verzoekster] nog procedures kan starten, een en ander zoals vermeld onder 3.2, die er mogelijk (uiteindelijk) toe zouden kunnen leiden dat de Franse uitspraak in hoger beroep alsnog gewijzigd wordt dan wel wordt “geneutraliseerd” (zoals [verzoekster] stelt ten aanzien van de mogelijk door hem te starten civiele procedure) is onvoldoende om aan voormeld strikte criterium voor weigering te voldoen. Aan geen van die procedures is immers opschortende werking toegekend, zo staat tussen partijen vast. Dat brengt met zich dat de Franse uitspraak in hoger beroep voor tenuitvoerlegging vatbaar is en blijft, ook als [verzoekster] de genoemde procedures zou gaan voeren (waarbij thans overigens nog de vraag is of hij dat ook daadwerkelijk zal doen, zo hebben [verweerders] terecht opgemerkt). Van bijzondere omstandigheden die dit anders zouden moeten maken, is de rechtbank niet gebleken. Daarbij wordt overwogen dat het niet aan de rechtbank is om te oordelen over de juistheid van de in Frankrijk genomen beslissingen en om de kans van slagen van een hoger beroep of cassatie in te schatten.
4.4.
[verzoekster] heeft verder nog gerefereerd aan het door hem ingestelde en nog lopende hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van 22 januari 2018 als genoemd onder 2.5. Gelet op de inhoud van dat vonnis valt echter niet in te zien hoe die omstandigheid kan bijdragen aan het oordeel dat de Franse uitspraak in hoger beroep in strijd is met de openbare orde in Nederland.
4.5.
Dan resteert de vraag of de door [verweerders] gevolgde procedure voor tenuitvoerlegging onjuist is en/of om die reden strijd met de openbare orde oplevert. Naar aanleiding van de stellingen van [verzoekster] dat [verweerders] de verkeerde tenuitvoerleggingsprocedure hebben gevolgd, hebben beide partijen zich uitgelaten over de vraag of de rechtsvordering in Frankrijk is ingesteld vóór of ná 10 januari 2015. Volgens de overgangsbepaling van artikel 66 van de herschikte EEX-verordening is die verordening namelijk slechts van toepassing op rechtsvorderingen die op of na die datum zijn ingesteld. Vaststaat dat het hoger beroep tegen de Franse uitspraak in eerste aanleg na 10 januari 2015 is ingesteld, maar de dagvaarding in eerste aanleg van voor die datum is. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter in het kader van de onderhavige beoordeling in het midden blijven welke datum bepalend is. De Franse rechter heeft immers reeds door afgifte van het certificaat geoordeeld dat er sprake is van een rechtsvordering waarop volgens hem de herschikte EEX-verordening van toepassing is. Ook hier geldt dat het niet aan de rechtbank is om de juistheid van die beslissing te toetsen.
4.6.
De rechtbank tekent nog aan dat [verzoekster] geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht die kunnen leiden tot het oordeel dat, zelfs indien al zou moeten worden uitgegaan van een onjuiste beslissing van de Franse rechter, hiermee inbreuk wordt gemaakt op een rechtsregel die van essentieel belang wordt geacht in de rechtsorde van de Unie en dus van de aangezochte lidstaat of van een in die rechtsordes als fundamenteel erkend recht (vgl Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1431). De rechtbank heeft hierbij ook acht geslagen op de omstandigheid dat in de procedure op grond van de EEX-verordening de beslissing uitvoerbaar wordt verklaard zodra enkele formaliteiten zijn vervuld zonder dat wordt getoetst of zich een weigeringsgrond voordoet. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in die stand van de procedure niet gehoord. Indien daartegen door een partij een rechtsmiddel wordt ingesteld wordt de verklaring van uitvoerbaarheid slechts geweigerd in geval van een beperkt aantal weigeringsgronden, die nagenoeg gelijk zijn aan die van de herschikte EEX-verordening en waarvan de hier relevante grond dat tenuitvoerlegging ‘kennelijke strijdig is met de openbare orde’ zelfs exact hetzelfde is geformuleerd. In dat licht heeft [verzoekster] zijn stelling dat hij in die andere procedure in voorkomend geval ruimere verweermogelijkheden heeft onvoldoende onderbouwd.
4.7.
De toevoeging door [verzoekster] van de zinsnede ‘dan wel op vergelijkbare andere grond’ aan zijn standpunt dat sprake is van strijd met de openbare orde, is onvoldoende nader geconcretiseerd om voor beoordeling in aanmerking te komen. Hieraan wordt dan ook voorbij gegaan.
4.8.
Enige andere grondslag voor toewijzing van het primaire verzoek dan wel van (een van) de subsidiaire verzoeken is gesteld noch gebleken. Het verzochte zal daarom geheel worden afgewezen. [verzoekster] zal, zoals door [verweerders] verzocht, worden veroordeeld in de proceskosten, zoals hierna vermeld.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerders] begroot op € 1.192,- te weten € 124,- aan griffierecht en € 1.068,- aan salaris advocaat.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet op 7 juni 2018.
ts