Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-06-22
ECLI:NL:RBDHA:2018:7776
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,833 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 18/1843 en SGR 18/2712
tussenbeslissing van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2018 in de zaak tussen
[eiser], thans woonachtig te [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigden: W.B.A. Mullink en mr. J. van der Heijden).
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser onder oplegging van een dwangsom gelast binnen acht weken het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het pand aan de [adres] in [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 26 januari 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Bij besluit van 14 februari 2018 (bestreden besluit II) heeft verweerder eiser medegedeeld dat eiser een dwangsom van € 15.000,00 heeft verbeurd en dat verweerder tot invordering hiervan overgaat.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 11 april 2018 heeft verweerder de rechtbank verzocht het door eiser ingestelde beroep tegen bestreden besluit I gevoegd te behandelen met het door eiser gemaakte bezwaar tegen bestreden besluit II, waarbij dit bezwaar als beroep wordt aangemerkt.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2018.
Eiser is, vergezeld door [persoon], verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1.1
In deze tussenbeslissing is uitsluitend de kwestie van (het niet tijdig voldoen van) het griffierecht aan de orde. De rechtbank overweegt daarover als volgt.Eiser heeft op 6 maart 2018 in persoon een beroepschrift ingediend, dat op 9 maart 2018 ter griffie van de rechtbank is ontvangen. In de eerste alinea van dit beroepschrift heeft eiser het volgende vermeld (de rechtbank citeert letterlijk): “Hierbij stel ik [eiser] wonende aan de [adres], [postcode] [plaats] beroep in tegen het besluit die door het college van Burgemeester en wethouders van Leiden ( het College) , respectievelijk de Burgemeester van Leiden ( de Burgemeester) is genomen”. Bij de ondertekening van dit beroepschrift heeft eiser vermeld: “[eiser] [adres] [postcode] [plaats]”. De rechtbank heeft de ontvangst van dit beroepschrift bevestigd per brief van 13 maart 2018, gericht aan de heer [eiser], [adres], [postcode], [plaats].
1.2
Op 14 maart 2018 heeft het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak (LDCR) een brief aan eiser gestuurd met het verzoek het griffierecht van € 170,00 binnen vier weken na dagtekening te betalen. Deze brief heeft als adressering de heer [eiser], [adres], [postcode], [plaats]. Op 12 april 2018 heeft het LDCR een betalingsherinnering met een termijn van (wederom) vier weken na dagtekening gestuurd per aangetekende post met, eveneens, als adressering de heer [eiser], [adres], [postcode], [plaats].
1.3
De brief met de betalingsherinnering van 12 april 2018 is als onbestelbaar aan de LDCR geretourneerd en is daarop op 7 mei 2018 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Op diezelfde datum heeft de griffier van de rechtbank per gewone post een kopie van de betalingsherinnering gestuurd met als adressering de heer [eiser], [adres], [postcode], [plaats].
1.4
Op 4 juni 2018 heeft de rechtbank een brief, geadresseerd aan de heer [eiser], [adres], [postcode], [plaats], gestuurd waarin, onder meer, is vermeld: “Geachte heer, Over het beroep met zaaknummer SGR 18/1843 en over het beroep met zaaknummer SGR 18/2712 deel ik u het volgende mee. Inzake SGR 18/1843 is op 14 maart 2018 aan u een nota gestuurd voor het griffierecht van € 170,00. Op 12 april 2018 is aan u een betalingsherinnering gestuurd. Op 7 mei 2018 is aan u een kopie van deze herinnering gestuurd. De rechtbank heeft geconstateerd dat u in deze procedure het griffierecht tot op heden niet heeft voldaan. Dit betekent dat u beider beroepen niet inhoudelijk ter zitting van 8 juni 2018 worden behandeld. Op de zitting zal uitsluitend het betalen van het griffierecht aan de orde komen.”
1.5
Op 5 juni 2018 heeft eiser een pleitnota en begeleidende brief gestuurd aan de rechtbank, die op 6 juni 2018 ter griffie zijn ontvangen. Noch in de brief, noch in de pleitnota is een adres vermeld. Bovenaan de pleitnota heeft eiser wel een e‑mailadres vermeld. Op de achterzijde van de envelop waarin de brief en pleitnota zich bevonden is geschreven: “[postcode]”. De rechtbank heeft vervolgens eiser op het door hem vermelde e‑mailadres een kopie van de brief van 4 juni 2018 gestuurd. Voorafgaand aan de zitting van 8 juni 2018 heeft eiser bij de centrale balie van de rechtbank het griffierecht voldaan.
2.1
In artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de basisregistratie personen stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres, hij het stuk dan zo spoedig mogelijk bij gewone brief verzendt. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in de overige gevallen waarin de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt, hij, indien mogelijk, het op het stuk vermelde adres verbetert en hij het stuk opnieuw bij aangetekende brief verzendt. Volgens de Centrale Raad van Beroep is dit artikel een bepaling van openbare orde (zie zijn uitspraak van 31 december 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF3068).
2.2
De rechtbank overweegt dat de griffier op grond van het eerste lid van artikel 8:38 van de Awb allereerst moet onderzoeken of het op de brief vermelde adres overeenkomt met het adres van eiser zoals dat staat vermeld in de basisregistratie persoonsgegevens. Dat betekent dat de griffier dit reeds na ontvangst van de betalingsherinnering op 7 mei 2018 had behoren te doen. Nu dit niet is gebeurd, is niet voldaan aan het bepaalde in dit artikel. De rechtbank acht het, mede gelet op het feit dat eiser reeds voorafgaand aan de zitting het griffierecht heeft voldaan, aannemelijk dat, indien zou zijn gehandeld conform artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, eiser alsnog tijdig het griffierecht zou hebben voldaan. De te late betaling van het griffierecht door eiser is verschoonbaar. Dat betekent dat het beroep van eiser ontvankelijk is.
Dictum
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
bepaalt dat de behandeling wordt voortgezet op een nader te bepalen zittingsdatum;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven op 22 juni 2018 door mr. A.M.M. Vingerling, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J.M. Manders, griffier.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenbeslissing staat geen zelfstandig rechtsmiddel open.