Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-05-24
ECLI:NL:RBDHA:2018:6014
Civiel recht
Kort geding
3,554 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/551517 / KG ZA 18/369
Vonnis in kort geding van 24 mei 2018
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CUM LAUDE EVENTS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwijndrecht,
eiseres,
advocaat mr. M.W. Renzen te Rotterdam,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ADO HOSPITALITY & EVENTS B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M.J.E.L. Delissen te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Cum Laude’ en ‘ADO’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;
- de door ADO overgelegde producties;
- de op 7 mei 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Cum Laude drijft een onderneming die horecapersoneel uitzendt en detacheert. ADO verzorgt de publiekscatering in en rondom het Cars Jeans stadion, de thuisbasis voor voetbalvereniging ADO Den Haag. ADO is een 100% dochter van N.V. ADO Den Haag (hierna: ADO Den Haag), die ook haar bestuurder is.
2.2.
Partijen hebben in het verleden diverse samenwerkingsovereenkomsten met elkaar gesloten betreffende het leveren door Cum Laude van horecamedewerkers aan ADO. Op 31 augustus 2012 hebben zij een overeenkomst met elkaar gesloten, eindigend op 30 juni 2013. Op 23 mei 2013 hebben zij een overeenkomst met elkaar gesloten, eindigend op 30 juni 2015. Op 4 juni 2015 hebben zij een overeenkomst met elkaar gesloten, eindigend op 30 juni 2018. Deze laatste overeenkomst zal hierna worden aangeduid als “de samenwerkingsovereenkomst”. Al voormelde samenwerkingsovereenkomsten zijn ondertekend door de personen, die op dat moment algemeen directeur waren.
2.3.
In 2016 is de heer [A] (hierna: [A] ) aangesteld als algemeen directeur van ADO Den Haag. Op 1 maart 2017 is de heer [B] (hierna: [B] ) aangesteld als commercieel manager van ADO Den Haag. [B] heeft in het verleden ook voor ADO Den Haag gewerkt.
2.4.
Kort na zijn indiensttreding is [B] in gesprek gegaan met Cum Laude over de samenwerking. Dit heeft ertoe geleid dat er een nieuwe samenwerkingsovereenkomst is opgesteld met een looptijd van vijf jaar, ingaande op 1 juli 2017 en eindigend op 30 juni 2022 (hierna: de nieuwe samenwerkingsovereenkomst), derhalve met vervanging van de (op dat moment nog lopende) samenwerkingsovereenkomst. De nieuwe samenwerkingsovereenkomst is op 18 april 2017 ondertekend door (de directeur van) Cum Laude en op 16 mei 2017 door [B] namens ADO Den Haag en ADO.
2.5.
Op 30 oktober 2017 is [B] in het handelsregister geregistreerd als (beperkt) gevolmachtigde van ADO Den Haag, bevoegd tot het afsluiten van verkoopcontracten tot € 25.000,-.
2.6.
In januari 2018 heeft [B] aan Cum Laude laten weten dat hij niet bevoegd was om de nieuwe samenwerkingsovereenkomst aan te gaan. Op 29 januari 2018 heeft [B] dit per e-mailbericht aan Cum Laude bevestigd, waarbij hij heeft meegedeeld dat de nieuwe samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is, omdat hij als onbevoegde een handtekening heeft gezet. Hij stelt dat de nieuwe samenwerkingsovereenkomst is vervallen en dat de samenwerkingsovereenkomst nog van kracht is.
2.7. (
De advocaat van) Cum Laude heeft in februari 2018 aan ADO bericht dat en waarom ADO gebonden is aan de nieuwe samenwerkingsovereenkomst. Cum Laude stelt geen plaats te willen maken voor een derde partij die kennelijk opnieuw in beeld is gekomen.
2.8.
De gesprekken die nadien tussen partijen hebben plaatsgevonden, hebben niet geleid tot een oplossing voor het gerezen probleem.
Geschil
3.1.
Cum Laude vordert – zakelijk weergegeven – ADO te veroordelen om volledige uitvoering te geven aan de nieuwe samenwerkingsovereenkomst tot het moment dat er in een bodemprocedure over het geschil is beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per week, met een maximum van € 250.000,-, met veroordeling van ADO in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert Cum Laude – samengevat – het volgende aan. Cum Laude is er gerechtvaardigd van uitgegaan dat [B] bevoegd was om ADO te vertegenwoordigen op grond van feiten en omstandigheden die voor rekening van ADO komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van volmachtverlening kan worden afgeleid.
3.3.
ADO voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een door ADO aan [B] verleende volmacht om de overeenkomst namens ADO aan te gaan. De vraag die in dit geding voorligt is of aan Cum Laude een beroep toekomt op artikel 3:61 lid 2 BW, aldus dat Cum Laude op grond van verklaringen of gedragingen van ADO redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat voor de nieuwe samenwerkingsovereenkomst die door [B] in naam van ADO is gesloten wel een toereikende volmacht was verleend, zoals Cum Laude stelt, maar hetgeen ADO betwist.
4.2.
De voorzieningenrechter zal zich in dit kort geding, waarin in spoedeisende gevallen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, een prognose moeten vormen van de uitkomst van een door partijen over deze kwestie te starten bodemprocedure. Gezien alle feiten en omstandigheden zal Cum Laude naar verwachting in een bodemprocedure in het gelijk worden gesteld. Daartoe is het volgende redengevend.
4.3.
Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde (ADO) kan plaats zijn ingeval de wederpartij (Cum Laude) gerechtvaardigd op volmachtverlening heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van ADO komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Dat risicobeginsel gaat echter niet zo ver dat voor toepassing daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen en gedragingen van de onbevoegd handelende persoon ( [B] ). Er zullen mede feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld die ADO betreffen en die rechtvaardigen dat deze partij in haar verhouding tot Cum Laude het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7490 en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142). De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan ook berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling (vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119).
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij er bij de beoordeling van uitgaat dat [B] bij het ondertekenen van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst niet tegen Cum Laude heeft gezegd dat hij niet tekeningsbevoegd was of dat hij anderszins beperkt was tot het aangaan van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst. Cum Laude heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat [B] heeft nagelaten daarop te wijzen. De tekst van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst of de ondertekening daarvan, maakt van enig voorbehoud van [B] ook geen melding.
4.5.
De voorzieningenrechter acht de enkele verwijzing door ADO naar de stelling van [B] in zijn schriftelijke verklaring, dat hij bij de ondertekening tegen Cum Laude heeft gezegd dat [A] de overeenkomst moet tekenen, een onvoldoende gemotiveerde betwisting van het standpunt van Cum Laude. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook acht geslagen op de omstandigheid dat [B] , als hij dat zou hebben gezegd, vervolgens heeft nagelaten de overeenkomst ook daadwerkelijk ter ondertekening aan [A] voor te leggen. Voor dit nalaten heeft [B] , noch ADO, (g)een verklaring gegeven, hetgeen de stelling minder aannemelijk maakt. Verder acht de voorzieningenrechter onwaarschijnlijk dat [B] , die kennelijk ruime ervaring heeft als commercieel manager, de overeenkomst uitsluitend heeft ondertekend “om aan te geven dat we e.e.a. inderdaad zo hadden besproken en ik (vanuit mijn perspectief) achter de intentie stond”, zoals [B] schriftelijk heeft verklaard. Een aantekening op de nieuwe samenwerkingsovereenkomst van [B] omtrent deze bedoeling had dan minst genomen voor de hand gelegen.
4.6.
Het vorenstaande betreft het handelen van [B] , zijnde de onbevoegd handelende persoon. Daar komt echter bij dat ADO [B] heeft aangesteld als commercieel manager, waarbij [B] ook is toegetreden tot het managementteam van ADO dan wel ADO Den Haag, hetgeen ook extern is gecommuniceerd. [B] is vervolgens niet alleen gesprekken met partners en derden gaan voeren over mogelijke samenwerkingen, hetgeen volgens ADO ook zijn taak is, maar hij heeft ook regelmatig contracten met zakenpartners ondertekend. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het daarbij ook gaat om minimaal één contract met een waarde van meer dan € 25.000,-. ADO heeft te dien aanzien gesteld dat die kwestie geheel anders is als het onderhavige geval, nu dat contract door [B] wél uitvoerig met [A] is besproken en later door [A] is bekrachtigd. Dat betekent echter dat het kennelijk vaker voorkomt dat een overeenkomst namens ADO door de onbevoegde [B] wordt getekend, waarbij die overeenkomst vervolgens echter wel gestand wordt gedaan. De interne acties waaraan ADO refereert zijn daarbij voor derden niet kenbaar, maar het handelen van [B] in naam van ADO wel.
4.7.
Verder is gebleken dat Cum Laude na de ondertekening van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst foodcounters heeft geplaatst – waaraan in de nieuwe samenwerkingsovereenkomst wordt gerefereerd –, zij uitvoering is gaan geven aan de in de nieuwe samenwerkingsovereenkomst overeengekomen commerciële tegenprestatie en zij facturen heeft gestuurd op basis van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst, die door ADO ook zijn betaald. Ook als ADO zou worden gevolgd in haar stelling dat [A] niet op de hoogte was van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst en dat niet zichtbaar was dat voormelde acties werden verricht op basis van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst, dan nog heeft te gelden dat wel ruim zes maanden lang uitvoering aan de nieuwe samenwerkingsovereenkomst is gegeven door beide partijen. ADO heeft daarbij kennelijk aan [B] de vrijheid gegeven om een en ander zelfstandig namens ADO uit te voeren.
4.8.
Aan ADO moet worden toegegeven dat Cum Laude de bevoegdheid van [B] eenvoudig had kunnen controleren – in het handelsregister of door navraag te doen bij de directie – als ook dat de gang van zaken in het verleden, de duur van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst en het geldelijk belang daarvan redenen daarvoor hadden kunnen zijn. Gelet op al de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de voorzieningenrechter echter begrijpelijk dat Cum Laude daar geen aanleiding voor heeft gezien en er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat aan [B] volmacht was verleend en hij bevoegd was om in naam van ADO de samenwerkingsovereenkomst te sluiten.
4.9.
Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat niet ondenkbaar is dat de bodemprocedure tot een andere uitkomst leidt. Dat geldt in dit geval met name omdat het hier een kwestie betreft waarin een bepaald gewicht moet worden toegekend aan feiten en omstandigheden, die bovendien deels niet tussen partijen vaststaan. Integendeel, ten aanzien van sommige feiten hebben partijen een volstrekt tegengestelde lezing. In een bodemprocedure kunnen partijen hun stellingen nog bewijzen. Indien de hiervoor vermelde prognose van de uitkomst van een bodemprocedure echter wordt bezien in combinatie met de hierna vermelde feiten en omstandigheden en hierbij een afweging van de belangen van partijen wordt betrokken, is het treffen van de gevorderde voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter zonder meer gerechtvaardigd.
4.10.
De voorzieningenrechter heeft hierbij met name het oog op het feit dat ADO degene is die zich op de ongeldigheid van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst beroept en dat eerst een half jaar na de ondertekening van die overeenkomst door [B] namens ADO, waarbij in de tussentijd door beide partijen uitvoering is gegeven aan die overeenkomst. Daar komt bij dat bij afwijzing van het gevorderde dient te worden “teruggevallen” op de samenwerkingsovereenkomst die op zeer korte termijn (30 juni 2018) eindigt, hetgeen grote en onomkeerbare gevolgen heeft voor Cum Laude als ADO niet bereid is een nieuw contract met Cum Laude te sluiten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt ADO om volledige uitvoering te geven aan de nieuwe samenwerkingsovereenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per week, met een maximum van € 100.000,-;
5.2.
veroordeelt ADO in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Cum Laude begroot op € 1.691,79, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 626,-- aan griffierecht en € 85,79 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2018.
ts