Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2018:2448
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,374 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.1315
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum],
van Afghaanse nationaliteit,
V-nummer [nummer], eiser,
gemachtigde: mr. F.H. Bruggink,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: drs. B.H. Wezeman.
Procesverloop
Op 19 januari 2018 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt dit beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Eiser is door middel van telehoren gehoord op zijn detentielocatie, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Ten aanzien van de vraag of in de verblijfsprocedure ten onrechte is bepaald dat eiser de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet in Nederland af mag wachten
Bij beschikking van 13 september 2017 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met ingang van 8 augustus 2016. De beschikking omvat tevens een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken en een inreisverbod voor de duur van twee jaren. Bij beschikking van 29 november 2017 heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. In die beschikking is bepaald dat eiser de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet in Nederland af mag wachten.
Eiser stelt dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat hij de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet in Nederland af mag wachten. In dat verband merkt hij op dat - als hij de uitspraak op het verzoek wel af zou mogen wachten – dat een ander licht zou werpen op de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, en in het bijzonder op de grond dat hij ‘eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven’.
Het is niet aan de rechter die over de maatregel van bewaring oordeelt ook te oordelen over de gevolgen die verweerder aan een beschikking in een verblijfsprocedure heeft verbonden. De rechtbank volstaat dan ook met de opmerking dat ook indien eiser wel de uitspraak op een verzoek een voorlopige voorziening te treffen af had mogen afwachten, dat niet af had gedaan aan de juistheid van de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware gronden. In afwachting van de uitspraak zou eiser immers geen rechtmatig verblijf hebben gekregen en zou de hem opgelegde vertrektermijn (die, naar niet in geding is, is geëindigd op 14 december 2017) door blijven lopen.
2. Ten aanzien van de vraag of eiser als asielzoeker aan moet worden gemerkt.
Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is aangemerkt als asielzoeker en ten onrechte met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. Hij wijst in dat verband op zijn uitlatingen, gedaan tijdens een verhoor op 5 januari 2018 en een gehoor op 19 januari 2018, en op de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7120.
De rechtbank volgt eiser daarin niet.
Blijkens het ‘proces-verbaal van verhoor verdachte’ heeft eiser op 5 januari 2018 tegenover de hem verhorende politieambtenaar verklaard: “ Ik kan niet teruggaan. Mijn leven loopt daar gevaar.”
Blijkens het ‘Proces-verbaal van gehoor (artikel 59. 59a of 59b, 62a of 66a Vw)’ heeft eiser bij die gelegenheid verklaard: “ Ik wil niet werken aan terugkeer naar Afghanistan want dan wordt ik doodgemaakt. Ik kan niet anders dan blijven in Nederland.”
Eiser is op 31 juli 2000 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en verblijft sindsdien (met een korte onderbreking) rechtmatig in Nederland. Op 6 juni 2017 is aan hem een voornemen tot intrekking van die vergunning uitgereikt. Het verloop van de procedure rondom de daadwerkelijke intrekking is hiervoor onder 1 geschetst. Gelet op de duur van eisers (rechtmatige) verblijf in Nederland, mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de mogelijkheid een asielaanvraag in te dienen. Niettemin is niet gebleken dat hij dat op enig moment na 6 juni 2017 heeft gedaan, en heeft hij ook tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, waarbij hij werd bijgestaan door zijn advocaat, niet uitdrukkelijk om bescherming verzocht.
3. Ten aanzien van de vraag of de gronden de maatregel in beginsel kunnen dragen
Aan de maatregel is onder meer ten grondslag gelegd dat eiser:
Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld
Eiser heeft de juistheid van die gronden betwist, noch heeft hij betwist dat uit die omstandigheden blijkt dat een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, of
dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Die gronden kunnen de maatregel, gelet op het bepaalde in de artikelen 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000, gelezen in samenhang met de artikelen 5.1, eerste lid en 5.1b, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), in beginsel dragen.
4. Ten aanzien van de vraag of de gronden de maatregel daadwerkelijk kunnen dragen.
In die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, dient steeds, aan de hand van wat door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen.
Op dit punt heeft eiser niets aangevoerd, zodat dat onbesproken kan blijven.
5. Ten aanzien van de vraag of de maatregel onevenredig bezwarend is.
Eiser stelt dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd dat en waarom de maatregel niet onevenredig bezwarend voor hem is. In dat verband merkt hij op dat hij bij het gehoor voorafgaand aan de maatregel de betrokken hulpofficier van justitie (hovj) heeft gewezen op het feit dat de politierechter hem twee dagen daarvoor in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling onder andere heeft verplicht zich uiterlijk 23 januari te melden bij Reclassering Nederland in Enschede. Voorts stelt eiser dat de bij het gehoor aanwezige raadsman, die tevens als raadsman in die strafzaak optrad, dit tegenover die hovj heeft bevestigd en de in dit verband negatieve consequenties van een inbewaringstelling uitvoerig heeft uitgelegd.
De rechtbank volgt eiser daarin niet.
Blijkens het ‘Proces-verbaal van gehoor (artikel 59. 59a of 59b, 62a of 66a Vw)’ heeft eiser bij die gelegenheid verklaard: “Ik wil graag vrijgelaten worden zodat ik kan werken aan mijn afkicken. Ik ben eergisteren veroordeeld, gedeeltelijk voorwaardelijk. Een van de voorwaarden is dat ik naar Tactus moet, daarvoor heb ik aanstaande dinsdag een afspraak.” Niet blijkt uit dat proces-verbaal dat de hovj mededeling is gedaan van andere, aan de veroordeling verbonden bijzondere voorwaarden of van de negatieve consequenties die het niet nakomen daarvan voor eiser zou kunnen hebben.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot-Akkerman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.