Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2018:15731
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,557 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.21645
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Remerie).
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.21646, plaatsgevonden op 6 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1997. Hij heeft op 17 juli 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 10 augustus 2015 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
2. Verweerder heeft eisers aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van EU Verordening 604/2013 (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft verweerder op 13 augustus 2018 bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek op 27 augustus 2018 aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij na drie jaar verblijf in Italië besloten heeft Italië te verlaten, omdat hij daar gediscrimineerd en onheus bejegend werd vanwege zijn huidskleur en omdat hij de Italiaanse taal niet beheerst. Eiser verwijst uitgebreid naar landeninformatie waaruit volgt dat in Italië sprake is van racisme. Eiser stelt dat het niet mogelijk is om beklag te doen bij de Italiaanse autoriteiten, vanwege de taalbarrière en omdat hij hier niet voldoende middelen voor heeft. Verder voert eiser onder uitvoerige verwijzing naar landeninformatie aan dat de behandeling van de asielprocedure in Italië onzorgvuldig verloopt. Hij stelt dat verweerder voor Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, mede als gevolg van het decreet van 24 september 2018. Eiser stelt dat als gevolg van het decreet de Italiaanse (asielprocedure en) opvangvoorzieningen voor asielzoekers aan het systeem gerelateerde tekortkomingen kent. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 18 oktober 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12420).
4. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3246) heeft geoordeeld dat verweerder voor Italië in het algemeen terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit verschillende berichten volgt weliswaar dat de nieuwe Italiaanse regering harde retoriek over migratie hanteert en dat anti-migratie en anti-EU sentimenten bestaan, maar uit die stukken volgt niet dat in Italië systematische tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verweerder betoogt terecht dat het aan de vreemdeling is om eerst in Italië te klagen over de door hem gestelde verdragsschendingen, aldus de Afdeling. De door eiser aangehaalde algemene informatie dateert allemaal van voor de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018 zodat deze stukken niet leiden tot een ander oordeel.
5. Met betrekking tot het beroep op het decreet, dat niet voorlag in het geschil dat heeft geleid tot de Afdelingsuitspraak van 10 oktober 2018, overweegt de rechtbank als volgt. Voorop staat dat nog niet duidelijk is wat de gevolgen zijn van het wetsdecreet in het door Italië te hanteren beleid. Niet gesteld of gebleken is voorts dat eiser dient te worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon. Ook los van het decreet zou hij daarom enkel in aanmerking komen voor opvang op een CAS-locatie. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat de versobering van de toelating tot SPRAR-locaties zal leiden tot een verslechtering van de opvang die de Italiaanse autoriteiten hem zullen bieden in de CAS. Dit blijkt ook niet uit de informatie van Vluchtelingenwerk waarnaar eiser verwijst. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet concreet heeft gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat voor eiser bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorgaande geen aanleiding is om het asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Sleeswijk Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.