Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2018:14826
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,528 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.20854
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.K.H. Blom),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuis).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.20855, plaatsgevonden op 27 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw T. Mehrian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 13 november 2017 een asielaanvraag ingediend.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij christelijke vrienden heeft toegestaan om in zijn huis bijeenkomsten te houden. Op deze manier is eiser geïnteresseerd geraakt in het christendom. Eiser is naar aanleiding van het ter beschikking stellen van zijn huis gearresteerd en gedetineerd. Hij is na 25 dagen vrijgelaten en hij wordt nu door de autoriteiten van Iran gezien als een afvallige. Ook is een arrestatiebevel jegens hem uitgevaardigd.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- nationaliteit/identiteit;
- afwending van de islam, bekering tot het christendom en het faciliteren
van huiskerkbijeenkomsten;
- problemen vanwege het voorgaande element.
Verweerder acht de door eiser gestelde nationaliteit en identiteit geloofwaardig. De overige relevante elementen acht verweerder niet geloofwaardig.
4. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder de relevante elementen die zien op zijn bekering en de problemen die hij daardoor heeft gehad ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en dat zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Eiser heeft voorts op enig moment tijdens het nader gehoor te kennen gegeven dat hij op dat moment niet verder gehoord wilde worden omdat hij zich niet lekker voelde, maar de gehoormedewerker heeft het gehoor desondanks, ten onrechte, door laten gaan. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij onterecht gesignaleerd wordt in het NSIS ter fine van de weigering van de toegang voor EU landen, het EER gebied en Zwitserland. Eiser stelt zich ten slotte op het standpunt dat hij gedwongen was een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, nu het beroep geen schorsende werking heeft en dat dit in strijd is met het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de EU van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465). Eiser verwijst in dit kader ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 2 november 2018 (zaaknummer: NL18.18012).
5.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat per abuis in de beschikking is opgenomen dat eiser wordt gesignaleerd in het NSIS ter fine van de weigering van de toegang voor EU landen, het EER gebied en Zwitserland. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiser hierin niet gesignaleerd staat.
5.2
De rechtbank overweegt ten aanzien van eisers asielrelaas het volgende.
5.2.1
Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet duidelijk en gedetailleerd heeft verklaard over het faciliteren en over de inhoud van de huiskerkbijeenkomsten. Uit de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor blijkt dat hij weliswaar bijeenkomsten heeft bijgewoond, maar ook dat hij hier verder weinig informatie over kan geven. Ook heeft eiser verklaard dat hij tijdens de bijeenkomsten geen Bijbel ter beschikking had en dat hij daarom in Iran nooit Bijbelteksten heeft gelezen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van iemand die toestaat dat er huiskerkbijeenkomsten in zijn huis plaatsvinden, verwacht mag worden dat hij hierover duidelijke en gedetailleerde verklaringen aflegt. Ook mocht verweerder van eiser verlangen dat hij kon verklaren waarom er geen Bijbel aanwezig was tijdens de bijeenkomsten. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat eiser wisselende en niet aannemelijke verklaringen heeft afgelegd omtrent de facilitering van de huiskerkbijeenkomsten. Eiser heeft daartoe enerzijds verklaard dat zijn christelijke vriend [persoon X] hem op enig moment heeft verzocht of hij met een aantal geloofsgenoten bijeenkomsten in het huis van eiser mocht houden. Anderzijds heeft eiser verklaard dat [persoon X] hem twee keer had gevraagd voor de sleutel van zijn huis. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij de eerste keer niet wist dat het om christelijke mensen ging en dat hij ook niet wist wat ze van plan waren in zijn huis. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser zelfs suggereert dat [persoon X] misschien wiskundeles ging geven. Uit het gehoor blijkt verder dat eiser er min of meer toevallig achter is gekomen dat het om huiskerkbijeenkomsten ging toen hij tijdens een van die bijeenkomsten met zijn reservesleutel zijn huis was binnengegaan. Verweerder mocht ook op dit punt van eiser verwachten dat hij hier direct duidelijk over kon verklaren. Voorts heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat het ongerijmd is dat eiser, als hoogopgeleide man, die weet dat afvalligheid of bekering tot het christendom in zijn land van herkomst zwaar kan worden bestraft, zomaar, zonder dat eiser weet wie in zijn huis komen en wat ze gaan doen, zijn huis aan hen beschikbaar stelt en daarmee een groot risico neemt.
Verweerder heeft zich vervolgens terecht op het standpunt gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn arrestatie. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij zijn huis binnenging, dat agenten in burger in zijn huis waren en dat eiser toen is opgepakt. Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij thuis was en dat zijn oma de agenten in burger heeft binnengelaten waarna eiser is gearresteerd. Eiser heeft deze tegenstrijdigheid niet weg kunnen nemen. Eiser heeft zijn arrestatie en zijn detentie voorts niet met documenten onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder het ongerijmd kunnen achten dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij na de arrestatie afstand wilde nemen van [persoon X], maar een paar maanden later toch opnieuw zijn huis aan [persoon X] ter beschikking stelde voor het houden van huiskerkbijeenkomsten. Eiser heeft daarnaast zijn stelling, dat thans een arrestatiebevel voor hem is uitgevaardigd, ook niet middels een document onderbouwd.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers stellingen omtrent de (facilitering van de) huiskerkbijeenkomsten, de gestelde arrestatie en de problemen daarna, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eisers stelling, dat hij zich tijdens het nader gehoor niet lekker voelde en het liever op een andere dag wilde voortzetten, maakt het oordeel niet anders. De gehoormedewerker heeft eiser tijdens het nader gehoor alle gelegenheid gegeven om pauze te nemen en eiser heeft na afloop van het gehoor verklaard dat hij vond dat het gesprek heel goed ging en heeft verder geen op-of aanmerkingen gegeven.
5.2.2
De rechtbank stelt evenwel vast dat uit de gehoren blijkt dat eiser zich drie maanden voor zijn komst naar Nederland als christen beschouwde en dat hij naar Nederland is gekomen om zich te verdiepen in het christendom en om zich verder te bekeren nu dit erg moeilijk was om te doen in Iran. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiser over de christelijke naam van [persoon X] of over diens bekering niet dermate tegenstrijdig of vaag zijn dat geoordeeld moet worden dat het ongeloofwaardig is dat eiser interesse kreeg in het christendom. Dat hij op dat moment mogelijk niet op zoek was naar een geloof, maar dat dit op zijn pad is gekomen en hij daardoor geïnteresseerd raakte acht de rechtbank voorts niet ongeloofwaardig. De rechtbank acht het voorts van belang dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat niet langer aan eiser wordt tegengeworpen dat hij zich in Iran niet verder heeft kunnen verdiepen in het christendom, zodat dit pas vanaf zijn aankomst in Nederland (goed) mogelijk was. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder, nu het voornemen pas tien maanden na het indienen van het asielverzoek en de gehoren is uitgebracht en het proces van bekering nog gaande was, eiser aanvullend had moeten horen omtrent de voortgang van zijn bekering in Nederland.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 3 november 2018 op de onder rechtsoverweging 7 vermelde wijze;
bepaalt dat verweerder, binnen een termijn van zes weken vanaf de datum van bekendmaking van deze uitspraak, in zoverre een nieuw besluit dient te nemen op eisers aanvraag;
bepaalt dat het besluit van 3 november 2018 voor het overige in stand blijft.
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.