Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2018:1013
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,697 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/5009
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2018 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.S. Maas),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuys).
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht tot 16 juni 2007 ingetrokken en de aanvraag om vervanging van zijn verblijfsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 3 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017.
Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 18 augustus 2016 een aanvraag tot vervanging van zijn verblijfsdocument ingediend en heeft daarbij verklaard dat zijn naam, geboortedatum en geboorteplaats onjuist zijn. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht tot 16 juni 2007 ingetrokken omdat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft op 9 januari 2017 de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken na verzending van deze brief de gronden van het bezwaarschrift in te dienen. Gemachtigde van eiser heeft niet binnen de gestelde termijn de gronden van het bezwaarschrift ingediend. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is.
3. Eiser voert aan dat niet gebleken is dat de door verweerder genoemde brief van 9 januari 2017 op de voorgeschreven wijze aan eiser of zijn gemachtigde is verzonden, waardoor niet beoordeeld kan worden of de termijnoverschrijding aan eiser kan worden tegengeworpen. Verder wijst eiser op de grote belangen in de onderhavige zaak, namelijk de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser verblijft sinds 1998 in Nederland, is sterk geworteld in de Nederlandse samenleving en heeft onder meer een gezinsleven en een baan. Het getuigt daarom van excessief formalisme om het bezwaar zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser wordt geconfronteerd met onomkeerbare rechtsgevolgen die niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beoogt te beschermen. Daarom verzoekt eiser de rechtbank om aan de hand van de zienswijze te beoordelen of verweerder in redelijkheid het primaire besluit heeft kunnen nemen. Tot slot voert eiser aan dat in strijd is gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.
4. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient een bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep te bevatten.
4.1
Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het verzuim om aan dit gestelde vereiste te voldoen ertoe leiden dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
Ingevolge standaardjurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:715), geldt het uitgangspunt dat in het geval van niet aangetekende verzending van een rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het stuk is verzonden. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en er een deugdelijke verzendadministratie is.
5.2
De rechtbank overweegt dat de voornoemde brief van 9 januari 2017 niet aangetekend is verzonden. De brief is voorzien van een datum en op het overlegde afschrift van deze brief staat hetzelfde adres als op eerdere correspondentie aan de gemachtigde van eiser, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de adressering juist is. Verder heeft verweerder in het verweerschrift uitleg gegeven over de wijze waarop de verzending van brieven plaatsvindt en een uitdraai van INDIGO overlegd, het digitale systeem van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Uit de uitdraai van INDIGO blijkt dat de herstelverzuimbrief op 10 januari 2017 is verzonden naar het in de brief genoemde adres. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de uitleg van verweerder en de uitdraai van de verzendadministratie in INDOGO, er sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verweerder heeft daarom aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief van 9 januari 2017 is verzonden.
5.3
De rechtbank overweegt verder dat eiser geen feiten heeft gesteld op grond waarvan de ontvangst van de herstelverzuimbrief kan worden betwijfeld. Ook is de rechtbank van oordeel dat van excessief formalisme geen sprake is. Dat eiser geworteld is in Nederland, is ontoereikend om tot een ander oordeel te komen. Daarnaast is niet gebleken dat in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is gehandeld.
6. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht en op goede gronden het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2018.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.