Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-06-28
ECLI:NL:RBDHA:2017:7105
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,491 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 16/9802
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. K. Kromhout),
en
de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.I. Biharie-Pronk).
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om continuering van zijn aanstelling in militaire dienst, met dispensatie van de aan de militaire functies gestelde inzetbaarheidsvereisten, niet ingewilligd.
Bij besluit van 2 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1965, is werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht, laatstelijk in de rang van sergeant-majoor en heeft een aanstelling in het Flexibel Personeel Systeem (FPS) fase 3. Bij besluit van 26 augustus 2013 is hem met ingang van 9 december 2013 de functie van [functie] toegewezen. Eiser is op 30 januari 2014 ziekgemeld. Bij besluit van 7 januari 2015 is eiser voornoemde functie toegewezen tot 1 januari 2016. Op 26 januari 2015 heeft eiser een Geneeskundig Onderzoek (GO) ondergaan. De uitslag van dit GO is dat bedenkingen bestaan met betrekking tot gebruik van de zintuigen, namelijk het horen, en dat eiser vermoedelijk blijvend dienstongeschikt is, omdat hij niet aan de militaire basis medische eisen voldoet.
Na een militair geneeskundig onderzoek op 9 juni 2015 is eiser blijvend dienstongeschikt bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst. Daarbij is geen dienstverband aanvaard.
Bij besluit van 7 maart 2016 is eiser met ingang van 29 februari 2016 tijdelijk de nevenfunctie van [nevenfunctie] toegewezen. Dit is een burgerfunctie. Deze nevenfunctie is later omgezet in een definitieve functie.
2. Eiser heeft op 16 februari 2016 een verzoek ingediend om hem voor zijn resterende loopbaan te dispenseren van de militaire basiseisen. Eiser baseert zijn verzoek op punt 1.4.1.7 van de Nota herzien re-integratiebeleid defensiepersoneel (hierna: de Nota). Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat in zijn geval sprake is van een geringe inzetbaarheidsbeperking vanwege een aandoening aan zijn gehoor. Verder voldoet hij aan de eis dat hij vijftig jaar of ouder moet zijn om voor dispensatie volgens de Nota in aanmerking te komen.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn beslissing om niet tot dispensatie over te gaan gehandhaafd. Daaraan legt verweerder samengevat ten grondslag dat in de Nota als uitgangspunt geldt dat de militair geschikt dient te zijn voor het vervullen van de militaire dienst. De militair dient naast het kunnen vervullen van de tot zijn functie behorende werkzaamheden in staat te zijn om onder operationele omstandigheden dus ook tijdens uitzending, te kunnen functioneren. Dispensatie wordt slechts verleend conform de Nota voor zover sprake is van een dienstongeschikte militair met geringe inzetbaarheidsbeperkingen met dienstverband. Verweerder stelt dat hem vrijheid toekomt te beoordelen of en onder welke voorwaarden een militair voor dispensatie in aanmerking komt, waarbij de evenwichtige opbouw van de krijgsmacht een cruciale rol speelt. In eisers geval is sprake van dienstongeschiktheid zonder dienstverband. Eiser is door zijn gehooraandoening niet meer uitzendbaar.
Voorts is de datum van leeftijdsontslag van eiser 20 november 2024. Deze datum valt niet binnen de plaatsingsduur (in de regel 3 tot 5 jaar) van eiser in zijn huidige functie. Dit betekent dat eiser tot zijn leeftijdsontslag meerdere militaire functies zal vervullen.
Voorts overweegt verweerder dat sprake is van een geslaagde re-integratie, omdat eiser binnenkort definitief zal worden geplaatst op de burgerfunctie [nevenfunctie].
4. Eiser stelt voorop dat niet ter discussie staat dat in het geval van eiser sprake is van een geringe inzetbaarheidsbeperking. Eiser betoogt dat voor het verkrijgen van dispensatie, blijkens de Nota, niet relevant is dat zijn inzetbaarheidsbeperking niet het gevolg is van een dienstverbandaandoening. Eiser baseert zijn verzoek immers op de bepaling dat de dienstongeschikte militair van 50 jaar of ouder gedispenseerd kan worden en daarbij wordt het al dan niet aanwezig zijn van een dienstverband niet
benoemd.
Evenmin kan het verzoek volgens eiser worden afgewezen op de grond dat de datum van zijn leeftijdsontslag niet valt binnen de reguliere plaatsingsduur. Zoals uit de Nota blijkt dient beoordeeld te worden welke militaire functiegroepen gegeven de geconstateerde inzetbaarheidsbeperkingen nog voor de militair beschikbaar zijn. Eiser stelt dat er meer dan genoeg militaire (niet-operationele) functies voorhanden zijn die hij met zijn gehooraandoening tot zijn leeftijdsontslag volledig kan vervullen. In ieder
geval is eiser in staat om alle functies binnen zijn vakgebied Logistiek te vervullen. Gezien de reguliere plaatsingsduur zou het daarbij nog om de vervulling van twee of drie militaire functies gaan. Bovendien gaat verweerder er ten onrechte aan voorbij dat eiser hoe dan ook vanaf 55 jaar geen verplichting tot uitzending meer
heeft, zodat de dispensatie op grond van dienstongeschiktheid feitelijk maar tot [geboortedatum] 2020 loopt en wel degelijk binnen de reguliere plaatsingsduur zoals gesteld in de bestreden beslissing valt.
Eiser betoogt dat, aangezien plaatsing op een burgerfunctie een negatief effect heeft op zijn inkomen en een verhoging van zijn pensioengerechtigde leeftijd met zich brengt, zijn belang dient te prevaleren boven dat van verweerder. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn dispensatie een negatief effect zou hebben op de gestelde evenwichtige opbouw van de krijgsmacht.
5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Paragraaf 1.4.1.7. van de Nota luidt, voor zover thans van belang:
“1.4.1 7. Voorwaarden behouden als dienstongeschikte militair met functioneel gezien geringe inzetbaarheidbeperkingen
Militair en Bijzonder dienstverband
- --- Defensie verplicht zich om de dienstongeschikte militair met functioneel gezien geringe inzetbaarheidbeperkingen in de situatie van bijzonder dienstverband als militair in dienst te houden zonder dat sprake is van inkomensverlies en mits van de zijde van betrokkene daartoe de wens te kennen wordt gegeven.
- Re-integratie op een militaire functie betekent dat de dienstongeschikte militair in dat kader blijvend wordt gedispenseerd voor de aan de militaire functies gestelde inzetbaarheideisen.
Militair en Bedrijfsongeval
- Defensie verplicht zich om de dienstongeschikte militair met functioneel gezien geringe
inzetbaarheidsbeperkingen in de situatie van een bedrijfsongeval intern dan wel extern de
Organisatie te re-integreren zonder dat er sprake is van inkomensverlies.
Indien re-integratie op een militaire functie mogelijk is en betrokkene dit ook wenst, betekent dit, dat de dienstongeschikte militair in dat kader blijvend wordt gedispenseerd voor de aan de militaire functies gestelde inzetbaarheidseisen.
Militair ouder dan 50 jaar
- Dispensatie voor het restant van de militaire loopbaan is aan de orde voor de dienstongeschikte militair met geringe inzetbaarheidsbeperkingen van 50 jaar of ouder, zij het binnen de kaders van het nog nader vast te stellen leeftijdsbewust personeelsbeleid.
(…).”
5.2.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van militairen ouder dan 50 jaar de mogelijkheid van dispensatie voor het restant van de militaire loopbaan in de Nota niet is geformuleerd als een op verweerder rustende verplichting. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder niet een op schrift gesteld leeftijdsbewust personeelsbeleid heeft.
Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij het verlenen van dispensatie en dat hij in ieder individueel geval dient te motiveren waarom hij wel of niet gebruik maakt van zijn bevoegdheid om dispensatie te verlenen.
5.3.
De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat het feit dat hij niet uitzendbaar is omdat hij niet meer voldoet aan de militaire basiseisen geen rol kan spelen bij de vraag of dispensatie moet worden verleend van die militaire basiseisen. Immers eiser vraagt nu juist daarvan dispensatie, waartoe punt 1.4.1.7. van de nota de mogelijkheid biedt.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.