Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-04-21
ECLI:NL:RBDHA:2017:4212
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,637 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/17107
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen
[eiseres 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013, eiseres (1),
alsmede haar minderjarige kinderen:
[eiseres 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011, eiseres (2),
[eiser 1] , geboren op [geboortedag 3] 2012, eiser,
allen van onbekende nationaliteit,
gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. V. Schreuder).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 met ingang van 6 oktober 2015, geldig tot 6 oktober 2020.
Eisers hebben op 1 augustus 2016 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 3 april 2017 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2017, waar eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraken van 28 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1168, van 22 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF2864 en van 12 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:805) blijkt dat een belanghebbende bij de terzake bevoegde rechter slechts kan opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtsmiddel belang heeft, in die zin dat hij daardoor in een gunstiger positie zou kunnen geraken.
De rechtbank overweegt dat in deze zaak aanleiding bestaat allereerst te beoordelen of eisers belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
3. Bij die beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden. Eiseres (1) heeft tot december 2012 in Damascus te Syrië gewoond. Daarna is zij samen met haar echtgenoot en hun kinderen, eiseres (2) en eiser naar Libanon gegaan, alwaar zij in het vluchtelingenkamp Al Beddawi in de provincie Tripoli hebben verbleven. Op 6 oktober 2015 hebben eisers aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 5 juli 2016 is aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op de voet van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, Vw 2000.
4. Eisers stellen in beroep procesbelang te hebben en dan in beginsel niet om op te komen tegen een toewijzende beschikking inhoudende een afgifte van een asielvergunning op de a‑grond, maar tegen de vaststelling door verweerder dat hun nationaliteit onbekend zou zijn. Immers, eisers hebben documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij Palestijnse vluchtelingen zijn. De familie van eiseres is lang geleden opgenomen in Syrië en ook geregistreerd bij de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR). Naar de mening van eisers zou verweerder moeten weten dat zij staatloos zijn en dit is van belang omdat zij zich bij de vaststelling hiervan op zeer gunstig beleid kunnen beroepen.
5. Verweerder heeft zich ter zitting in dit verband op het standpunt gesteld dat eisers in hun beroep niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat er geen procesbelang aanwezig is nu zij in deze procedure niet een materieel gunstiger rechtspositie kunnen bewerkstelligen. Zo gaat het in het kader van de asielprocedure enkel om of de gestelde staatloosheid van eisers geloofwaardig is geworden op basis van de door hen overgelegde documenten en afgelegde verklaringen. In dit geval is in de asielprocedure de gestelde identiteit en staatloosheid van eisers niet ongeloofwaardig bevonden, maar dit betreft een andere beoordeling dan de vaststelling van de staatloosheid. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat de Vw 2000 het stellen van regels omtrent het verblijfsrecht van vreemdelingen als doel heeft en niet het vaststellen van staatloosheid.
6. De rechtbank constateert dat op dit moment in Nederland een procedure tot vaststelling van staatloosheid ontbreekt, maar dat de minister van Veiligheid en Justitie op 28 september 2016 wel een voorstel voor een Rijkswet vaststellingsprocedure staatloosheid publiceerde.
7. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen belang bij de vaststelling van hun staatloosheid in de onderhavige asielprocedure. Het doel van de asielprocedure is immers om internationale bescherming te verkrijgen en dit doel is voor eisers bereikt met de afgifte van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bovendien is er geen sprake van “méér rechten” die zij onmiddellijk kunnen uitoefenen zodra zij als staatloos geregistreerd staan. Hierbij overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gemotiveerd dat het recht op naturalisatie niet ziet op de bescherming die eisers met hun asielaanvraag hebben beoogd. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2005:AU9167, JV 2006/45) is een mogelijke toekomstige naturalisatie een onzekere, gestelde aanspraak. Een dergelijke aanspraak is speculatief omdat het een mogelijke gebeurtenis in de toekomst betreft. Ook ontstaat de mogelijkheid om voor naturalisatie in aanmerking te komen eerst na tijdsverloop van enkele jaren en is de vraag of tot naturalisatie kan worden overgegaan afhankelijk van meerdere voorwaarden dan alleen het als staatloos geregistreerd staan (en de wens van eisers). Het verblijf als staatloze gedurende drie jaren constitueert op zichzelf derhalve geen recht tot naturalisatie.
8. Verder is de vaststelling van staatloosheid geen zelfstandige toets binnen de asielprocedure, maar geschiedt deze beoordeling door het college van burgemeester en wethouders op grond van hetgeen is bepaald in artikel 2.15, 2.16 en 2.17 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet BRP). Daarnaast kan de vreemdeling niet in een asielprocedure om een mededeling van verweerder als bedoeld in artikel 2.17 Wet BRP over de nationaliteitsgegevens verzoeken, maar kan het college van burgemeester en wethouders de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om een dergelijke mededeling verzoeken indien de vreemdeling onvoldoende gedocumenteerd is om de nationaliteit of staatloosheid vast te stellen. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting ook heeft benadrukt, betreft de registratie in de basisregistratie personen (BRP) een registratie van de aanname dat een vreemdeling staatloos en geen beoordeling ervan. Bij twijfel over de vaststelling van de nationaliteit of staatloosheid verstrekt verweerder dus op verzoek aan het college van burgemeester en wethouders informatie over de aangenomen nationaliteitsgegevens van de vreemdeling in een zogeheten artikel 2.17-mededeling. Het is voor de vreemdeling wel van belang dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 2.15 Wet BRP de nationaliteit of staatloosheid zelf vaststelt. De inschrijving op basis van een artikel 2.17-mededeling geeft slechts de vermoedelijke, door de IND aangenomen nationaliteit aan. Wel heeft de vreemdeling ingevolge artikel 2.8 en 2.15 Wet BRP de mogelijkheid om een wijzigingsverzoek van zijn nationaliteitsgegevens in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij staat ingeschreven een rechtsingang bij de voor de uitvoering van de Wet BRP verantwoordelijke instantie. Gelet hierop kan door de rechtbank daarom evenmin een actueel procesbelang worden aangenomen.
9. Wel wenst de rechtbank op te merken dat de werkwijze van verweerder enigszins bevreemdt. Weliswaar heeft verweerder formeel gelijk dat de registratie van de staatloosheid door de gemeente plaatsvindt op basis van de Wet BRP, maar niet valt in te zien waarom verweerder bij het beoordelen of eisers in aanmerking komen voor bescherming niet tevens een beoordeling maakt van de gestelde nationaliteit. Verweerder beoordeelt in de asielprocedure immers altijd de door de vreemdeling afgelegde verklaringen over zijn nationaliteit als hij om internationale bescherming verzoekt. Niet goed valt in te zien waarom verweerder in zaken als de onderhavige, waarbij aanstonds duidelijk is dat de verzoekers internationale bescherming nodig hebben, de verklaringen over de nationaliteit niet (verder) beoordeelt. Dat dat enige inspanning vereist, is daarbij naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende verklaring nu het tot de kerntaken van verweerder behoort bij het beoordelen van de noodzaak tot bescherming. Bij het toepassen van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling worden namelijk de elementen identiteit en nationaliteit steeds beoordeeld alvorens wordt overgegaan tot beoordelen van de verklaringen die zien op het asielrelaas. De rechtbank wil gevoeglijk aannemen dat het beoordelen van verklaringen over staatloosheid meer inspanningen vereist dan het onderzoeken van bijvoorbeeld paspoorten, echter niet valt in te zien waarom verweerder zich in de onderhavige zaak niet de moeite getroost om alle verklaringen van eisers, dus ook de verklaringen over staatloosheid, te beoordelen.
Dictum
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
21 april 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.