Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2017:16607
beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/539450 / HA RK 17-452 Beschikking van 19 december 2017 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats], verzoekster, advocaat mr. Y. Slob te Alphen aan den Rijn, tegen de naamloze vennootschap HTM PERSONENVERVOER N.V. , gevestigd te Den Haag, verweerster, advocaat mr. J. Schep te Amersfoort. Partijen worden hierna [verzoekster] en HTM genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 15; het verweerschrift, met producties 1 tot en met 6; de brief van 6 november 2017 van de zijde van HTM, met als bijlage de op 24 oktober 2014 toepasselijk zijnde Algemene voorwaarden stads- en streekvervoer; het proces-verbaal van de op 7 november 2017 gehouden mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is een datum voor de beschikking bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 24 oktober 2014 reisde [verzoekster] met RandstadRail (lijn 2, tramnummer 4059) richting Leidschendam. Omstreeks 9.15 uur kwam de tram aan bij halte De la Reyweg. Deze halte fungeerde op dat moment tijdelijk als eindhalte, zodat alle passagiers moesten uitstappen. [verzoekster] zat achterin de tram op een stoel op een verhoogd gedeelte. Zij liep naar de uitgang om uit te stappen, waarbij zij een afstap moest nemen. Bij dit afstappen is [verzoekster] ten val gekomen en heeft zij ernstig letsel opgelopen aan haar linker onderbeen. Op de bewuste dag regende het en de vloer van de tram was vochtig door ingelopen water. 2.2. In het ongevalsrapport van HTM van 24 oktober 2014 is ingevuld dat de snelheid van het HTM-voertuig en de tegenpartij 0 km per uur was. Ter zake van de conditie van het wegdek is omcirkeld dat het wegdek nat was. Ook is omcirkeld dat de remmen oké waren en daarnaast is geschreven: ‘ stond reeds stil’ . Bij de omschrijving van het ongeval is opgenomen: ‘Passagier verstapte zich op verhoogde gedeelte in het voertuig, voertuig stond reeds al geruime tijd gehalterd’. Het ongevallenformulier is ondertekend door de trambestuurder en zijn leidinggevende. 2.3. Op 12 november 2014 heeft HTM een brief gestuurd aan [verzoekster]. Daarin staat: “ Op vrijdag 24 oktober 2014 omstreeks 9.22 uur bent u als passagiere in onze tram 4059 van lijn 2, die stond aan de halte De la Reyweg op de Loosduinsekade te Den Haag, ten val gekomen. Volgens onze gegevens liep u daarbij lichamelijk letsel op. Wij betreuren het dat u dit is overkomen en wij wensen u een voorspoedig en algeheel herstel en hopen dat de bos bloemen u helpt om over de schrik heen te komen. Mocht u nog vragen hebben neemt u dan contact met ons op .” 2.4. Op 19 november 2014 is HTM aansprakelijk gesteld door Mooyman & Partners, de toenmalig belangenbehartiger van [verzoekster]. Bij brief van 26 november 2014 heeft HTM geantwoord dat uit haar gegevens blijkt dat [verzoekster] zich in de tram heeft verstapt en dat de tram volgens de bestuurder al enige tijd stilstond aan de halte De la Reyweg, zodat zij vooralsnog geen aansprakelijkheid kan erkennen. 2.5. [verzoekster] is recent, bijgestaan door mr. Slob, in overleg getreden met HTM over de aansprakelijkheidsvraag. In het buitengerechtelijke onderhandelingstraject zijn partijen gestuit op een geschilpunt. 3 Het geschil 3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank, verkort weergegeven: onderhavig deelgeschil in behandeling te nemen; voor recht te verklaren: primair , dat HTM volledig aansprakelijk is voor alle door [verzoekster] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolg van het ongeval op 24 oktober 2014; subsidiair , dat HTM aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval en gehouden is een in goede justitie te bepalen percentage van de schade aan [verzoekster] te vergoeden; voor recht te verklaren dat HTM een voorschot op de materiële en immateriële schade van [verzoekster] ter hoogte van € 6.000,-- ter beschikking moet stellen; met veroordeling van HTM in de kosten van deze procedure en met bepaling dat de ve In dat geval geldt dat HTM slechts aan aansprakelijkheid kan ontkomen als zij overmacht in de zin van de leden 2, 3 en 4 van dat artikel aannemelijk maakt. Zienswijze [verzoekster] en verklaringen getuigen HTM 4.6. Tegenover de zienswijze van [verzoekster] met betrekking tot de toedracht, staat die van [naam 1] (de trambestuurder), zoals blijkt uit zijn verklaring van 1 december 2014 bij het ongevalsrapport. Volgens [naam 1] kon hij rustig halteren (tot stilstand komen) omdat de halte zich zeer kort na de kruising en het uitrijwissel bevonden. Verder heeft volgens [naam 1] [verzoekster] hem na het ongeval verteld dat zij zich had verstapt op de verhoging waardoor zij ongelukkig terecht kwam en iets in haar onderbeen hoorde knappen en dat zij wist hoe laat het was en dat zij een zwak onderbeen had. Zowel de collega van de verkeersdienst als de politieambtenaar besloten na de verklaring van [verzoekster] geen verdere actie te ondernemen en [naam 1] was, aldus hijzelf, in de veronderstelling dat zijn rijgedrag volledig los stond van de val die deze dame gemaakt had. Nog daargelaten dat de verklaring van [naam 1] op onderdelen gesteund wordt door de verklaringen van [naam 2] (de betrokken collega van de verkeersdienst van HTM) als [naam 3] (afdeling service op locatie van HTM), is de conclusie dat gelet op de uiteenlopende herinneringen van [verzoekster] en de bestuurder van het gebeurde op 24 oktober 2014 niet als vaststaand kan worden aangenomen dat sprake is geweest van (spontaan) afremmen van de tram op de door [verzoekster] gestelde krachtige wijze. Camerabeelden 4.7. Vaststaat dat HTM geen camerabeelden heeft bewaard van het ongeval, zodat niet aan de hand daarvan de toedracht van het ongeval van [verzoekster] kan worden vastgesteld. [verzoekster] stelt dat HTM haar in haar bewijspositie heeft benadeeld door de camerabeelden uit de tram niet veilig te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank rust op HTM niet in zijn algemeenheid de verplichting om camerabeelden te bewaren ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de reiziger, om deze reiziger aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering in het kader van een aansprakelijkstelling naar aanleiding van een incident. HTM neemt de desbetreffende camerabeelden op – naar niet in geschil is – ter beveiliging van haar medewerkers en ten behoeve van de informatievergaring rond strafrechtelijke incidenten en noodsituaties zoals een noodremming. In het geval na een incident een ongevalsrapport wordt opgesteld en er, voor zover voor deze zaak relevant, geen sprake is geweest van een noodremming, worden de desbetreffende camerabeelden niet langer bewaard (ze worden overschreven). [verzoekster] verwijt HTM geen onrechtmatig beleid in dezen. Er is ook geen rechtsnorm die HTM zonder meer dwingt tot het bewaren van camerabeelden na ieder incident waarbij een ongevalsrapport wordt opgemaakt. 4.8. De gegeven omstandigheden dwongen HTM evenmin tot het bewaren van camerabeelden naar aanleiding van het ongeval. Blijkens het ongevalsrapport is geen sprake geweest van een noodremming. In het ongevalsrapport naar aanleiding van dit ongeval is vermeld dat de remmen van de tram “oké” waren. Gelet op de onweersproken toelichting van HTM ter zitting met betrekking tot haar, in een protocol vastgelegde, handelwijze in het geval van een incident als het onderhavige, moet gelet hierop een noodremming worden uitgesloten. HTM heeft onder meer naar voren gebracht dat de verkeersdienst de remsystemen van de tram pleegt te controleren omdat vanaf de buitenkant van de tram eenvoudig kan worden geconstateerd of alle voor een noodremming noodzakelijke remsystemen zijn ingeschakeld. In dat geval liggen er onder meer hoopjes zand op de rails, die de rails stroever maken. Gezien de constatering in het rapport dat de remmen “oké” waren, heeft controle plaatsgevonden en kan geen sprake zijn geweest van een noodremming. Bovendien heeft de aanwezige politie geen rapport opgesteld, hetgeen