Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2017:16259
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,596 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL17.13895 en NL17.13896
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 20 december 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Italië.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank in de zaak NL17.13895: verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak NL17.13896: wijst het verzoek af.
Overwegingen
1. Allereerst moet gelet op de beroepsgronden worden beoordeeld of Italië wel verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser stelt dat het claimakkoord gebaseerd is op onvolledige informatie. Uit artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat het overnameverzoek relevante elementen uit de verklaring van de vreemdeling moet bevatten aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van de Dublinverordening verantwoordelijk is. Anders dan eiser heeft betoogd, is de vaststelling of er sprake is van een in Nederland verblijvende broer van eiser geen relevant element voor de bepaling of Italië verantwoordelijk is. Noch artikel 16, noch artikel 17 van de Dublinverordening valt onder de criteria, genoemd in hoofdstuk III, aan de hand waarvan kan worden bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De broer van eiser is geen gezinslid in de zin van de Dublinverordening. Artikel 9 van de Dublinverordening, vallend onder hoofdstuk III, is dan ook niet van toepassing. De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 oktober 2014. Dat betekent dat verweerder niet gehouden was om Italië in de claim te informeren over de aanwezigheid van de broer van eiser in Nederland. De conclusie is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, gelet op eisers aanwezigheid daar en gelet op de (fictieve) aanvaarding door Italië van het overnameverzoek.
2. In geschil is verder of ten aanzien van Italië nog wel mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
3. Uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) blijkt dat er weliswaar problemen zijn in de opvang van asielzoekers in Italië, maar dat de situatie niet vergelijkbaar is met die in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (onder meer het arrest M.O.S.H. tegen Nederland, nr. 63469/09). Ook de Afdeling volgt deze lijn.
4. Het door eiser aangehaalde rapport van de Danish Refugee Council en Swiss Refugee Council van 9 februari 2017 leidt niet tot een ander oordeel. Verwezen wordt naar de uitspraak over dit rapport van de Afdeling van 7 april 2017. Het rapport gaat bovendien over bijzonder kwetsbare personen. Ter zitting is gebleken dat niet meer in geschil is dat eiser niet is aan te merken als een bijzonder kwetsbare persoon als bedoeld in het arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland. Daarom kan ook het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 28 maart 2017 niet slagen. Ook het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 juli 2017 kan niet slagen, nu deze uitspraak op 23 oktober 2017 door de Afdeling is vernietigd.
5. Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de humanitaire clausule van artikel 17 van de Dublinverordening. Daartoe wordt overwogen dat verweerder beleids- en beoordelingsruimte heeft om te bepalen of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als bedoeld in deze bepaling. Het feit dat eisers broer met zijn gezin in Nederland verblijft, heeft verweerder niet zodanig bijzonder hoeven achten dat toepassing van de humanitaire clausule aangewezen was.
6. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het het beroep betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Verordening (EU) 604/2013
ECLI:NL:RVS:2014:3832
30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454, 27 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2040
ECLI:NL:RVS:2017:971
ECLI:CE:ECHR:2014: 1104JUD002921712
ECLI:NL:RVS:2017:2857