Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2017:16248
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 17/4727 t/m SGR 17/4733, SGR 17/4735 en SGR 17/4737 t/m SGR 17/4743 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2017 in de zaken tussen [B.V. X], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder. Procesverloop Eiseres heeft in oktober en november 2015 ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van 15 uit andere lidstaten afkomstige personenauto’s telkens belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) op aangifte voldaan. Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de voldoeningen op aangifte afgewezen. Eiseres heeft tegen de uitspraken van verweerder beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 16 juni 2017 heeft het Gerechtshof Den Haag (het Hof) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaken teruggewezen naar de rechtbank voor een hernieuwde behandeling van de beroepen met inachtneming van de uitspraak van het Hof. De rechtbank heeft de behandeling van de zaken voortgezet onder de onderwerpelijke zaaknummers. Desgevraagd hebben partijen schriftelijk gereageerd op de uitspraak van het Hof in hoger beroep. Eiseres heeft vóór de zitting twee maal een pleitnota ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4]. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft 15 personenauto’s, afkomstig uit andere lidstaten, met meer dan normale gebruiksschade in het Nederlandse kentekenregister laten registreren en op diverse dagen in oktober en november 2015 de Bpm op aangifte voldaan. 2. Eiseres heeft voor alle 15 auto’s gekozen de afschrijving te bepalen door middel van een taxatierapport met een gedetailleerde schadecalculatie. Steeds is 72% van het schadebedrag in mindering gebracht op de op basis van referentievoertuigen vastgestelde handelsinkoopwaarden. De uitspraak van het Hof: 3. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 16 juni 2017, nummers BK-17/00203 t/m BK‑17/00217, ECLI:NL:GHDHA:2017:2868, met betrekking tot deze zaken het volgende overwogen: “Geschil en standpunten 4.1. In hoger beroep houdt partijen in het bijzonder verdeeld of voor de personenauto’s die meer dan normale gebruiksschade hebben en waarvoor een gedetailleerde schadecalculatie is overgelegd, heeft te gelden dat 100 percent van het getaxeerde schadebedrag in aftrek komt, zoals [eiseres] bepleit, dan wel 72 percent, zoals [verweerder] voorstaat. 4.2. Voor de standpunten van partijen verwijst liet Hof naar de gedingstukken. Beoordeling 5.1. De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel met juistheid geoordeeld dat de Nederlandse regelgeving op het terrein van de BPM, speciaal waar het gaat om de berekening van de BPM met betrekking tot de registratie van de in geding zijnde personenauto’s, onverkort toepassing kan vinden, omdat het op geen enkel onderdeel in strijd is met het Unierecht, en ook overigens terecht en op goede gronden, behoudens het overwogene in 5.5. geoordeeld dat de beroepen ongegrond zijn. 5.2. In geen van de stellingen die [eiseres] in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd - met inbegrip van de stellingen die raakvlakken vertonen met het Unierecht, waaronder artikel 110 VWEU, en die al, dan niet mede zijn gegrond op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - ziet het Hof een grond anders te oordelen. 5.3. Ook het door [eiseres] in hoger beroep gedane beroep op het beleid van de Staatssecretaris van Financiën, dat is neergelegd in het Kaderbesluit BPM, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 7 april 2017, nr. BLKB2017/1135M, Stcrt. 2017, 212 De rechtbank stelt voorop dat zij voorbijgaat aan alles wat eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot de (on)verbindendheid van de Nederlandse regelgeving op het terrein van de Bpm, daar het Hof in zijn uitspraak op het hoger beroep van eiseres reeds heeft geoordeeld dat die regeling op geen enkel onderdeel strijdig is met het Unierecht en deze grieven de opdracht die het Hof bij de terugwijzing aan de rechtbank heeft gegeven (zie r.o. 5.4. t/m 5.6. van de uitspraak van het Hof) ook te buiten gaan. De rechtbank beperkt zich in deze uitspraak tot de beoordeling van de in geschil zijnde vraag zoals hiervoor onder 4. is weergegeven. 7. In artikel 10, achtste, negende en tiende lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling), in samenhang bezien met Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling, is - kort gezegd - neergelegd dat de waardevermindering van auto’s met meer dan normale gebruiksschade kan worden vastgesteld met gebruikmaking van een taxatierapport, waarbij de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Voor het geval de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm van 72%, is in Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bepaald dat dit dan gemotiveerd wordt aangegeven, gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal. 8. De rechtbank heeft gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen in r.o. 5.4 t/m 5.6, zoals hiervoor onder 3. weergegeven, voor elk van de 15 auto’s bezien wat eiseres aangaande de schade heeft gesteld en onderzocht of op basis van het taxatierapport, de schadecalculatie en het beeldmateriaal aannemelijk is dat de waardevermindering als gevolg van de schade meer bedraagt dan de norm van 72% van het schadebedrag. 9. Ook na terugwijzing door het Hof ziet de rechtbank in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd en overgelegd, niet een gemotiveerde uiteenzetting van de taxateur van eiseres over de reden voor een waardevermindering (die) groter (is) dan de vastgestelde norm van 72% van het schadebedrag in de onderwerpelijke gevallen. Weliswaar maken gedetailleerde schadecalculaties en beeldmateriaal onderdeel uit van de onderscheidenlijke taxatierapporten, maar enige motivering waaróm de daaruit blijkende schades een waardevermindering van meer dan de wettelijk vastgestelde norm van 72% tot gevolg hebben is in de taxatierapporten niet gegeven. Meer dan de in de taxatierapporten opgenomen zin “ Van de vermeende herstelkosten hebben wij 72% opgevoerd als waardevermindering” is hierover niet opgenomen in de taxatierapporten. Ook overigens is een dergelijke motivering niet gegeven, noch door de taxateur van eiseres, noch door haar gemachtigde. In zoverre kan het er naar het oordeel van de rechtbank, overeenkomstig hetgeen verweerder ook stelt, niet voor worden gehouden dat eiseres heeft voldaan aan de in dit verband, op grond van het bepaalde in Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling, op haar rustende bewijslast. Voor zover eiseres stelt dat een dergelijke motivering wel is gegeven, vindt de rechtbank daarvoor geen steun in de gedingstukken. 10. De rechtbank heeft desondanks, gelet op de specifieke terugwijzingsopdracht door het Hof op basis van de in het geding gebrachte gegevens voor elk van de auto’s onderzocht of het bewijs, waaronder het taxatierapport, de schadecalculatie en het beeldmateriaal, tegenover de betwisting door verweerder, voldoende is om eiseres te volgen in haar stelling dat de waardeverminderingen van de auto’s hoger zijn (100%) dan de vastgestelde norm (72%). 11. De rechtbank is van oordeel dat het door eiseres aangedragen bewijs onvoldoende is om haar te volgen in haar hiervoor weergegeven stelling. Daarbij overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel in de onderscheidenlijke schadecalculaties, ook in samenhang bezien met het in de onderscheidenlijke