Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2017:15521
Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 17-6980 Zaaknummer: C/09/539394 Datum beschikking: 22 december 2017 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 11 september 2017 ingekomen verzoek van: [naam moeder] , de moeder, wonende te [woonplaats] advocaat: mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [naam vader] de vader, wonende te [woonplaats] , India, advocaat: mr. E.J. Kim-Meijer te 's-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift (mede in de Engelse taal); - de brief van 26 oktober 2017 van de zijde van de vader; - de brief van 27 oktober 2017 van de zijde van de moeder; - de brief van 30 oktober 2017 van de zijde van de vader; - de brieven van 2 november 2017 van de zijde van de moeder; - de brief van 2 november 2017 van de zijde van de vader; - het F9-formulier van 17 november 2017 van de zijde van de man; - het F9-formulier van 22 november 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder; het F9-formulier van 26 november 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder. het verweerschrift. Op 27 november 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de advocaat van de vader. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd. Verzoek en verweer De moeder heeft verzocht: de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige te bevelen, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, waarbij de rechtbank zal bepalen op welke datum de vader de minderjarige naar Nederland dient terug te brengen, waarbij hij de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven; te bepalen dat de vader de kosten van de moeder als bedoeld in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, aan de moeder zal voldoen en dat de vader de kosten van de terugkeer van de minderjarige voor zijn rekening dient te nemen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht te bepalen dat de moeder alle (proces)kosten van de vader ad € 20.787,-- alsmede de griffierechten voor de onderhavige procedure ad € 287,-- voor haar rekening dient te nemen en binnen een maand na de te wijzen beschikking aan de vader dient te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Feiten - Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats] , India. - Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . - Op 5 mei 2015 is door de vader een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Family Court Mumbai at [plaatsnaam] , India onder het kenmerk Petition NO. [nr.] . - Bij beschikking van deze rechtbank van 6 juli 2015 is – voor zover thans van belang – het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige] naar India afgewezen aangezien: “de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in de periode tussen 8 december 2015 (kennelijk 2014) en 15 april 2015 van India is verplaatst naar Nederland. Dit maakt dat er geen sprake is van een ongeoorloofde achterhouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag.” - Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 19 augustus 2015 is voornoemde beschikking van deze rechtbank bekrachtigd. In rechtsoverweging 20 is geoordeeld: “Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich ten aanzien van de verplaatsing van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] tussen 8 december 2014 en 15 april 2015 met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust.” - Sinds 29 september 2016 verblijft [minderjarige] bij de vader in [woonplaats] , India. - De vader heeft de Indiase nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse en de Pakistaanse nationalite 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: Brussel IIbis). Evenmin kan rechtsmacht worden aangenomen op grond van het bepaalde in de artikelen 5, 7 of 11 van het Verdrag van 19 oktober 1996 (Trb. 1997, 299) inzake de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (hierna: HKBV 1996). De materiële reikwijdte van Brussel IIbis en HKBV 1996 beperkt zich immers tot de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid (artikel 1 lid 1 sub d Brussel IIbis en artikel 3 aanhef en sub a HKBV). De beslissing op het verzoek tot teruggeleiding is uitsluitend gericht op het doen terugkeren van [minderjarige] (bij wege van ordemaatregel) en niet op een maatregel betreffende de inhoudelijke aspecten van de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt vanwege dit bijzondere karakter hiervan buiten het materiële toepassingsgebied van Brussel IIbis en het HKBV 1996. Nu Brussel IIbis en het HKBV 1996 niet van toepassing zijn en er ook overigens geen verdragen of verordeningen zijn die in onderhavige zaak handvatten bieden voor het aannemen van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beheerst door de bepalingen van afdeling 1 van titel 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Gelet op het hiervoor genoemde bijzondere karakter van de verzochte uitspraak (geen beslissing in een bodemprocedure maar een ordemaatregel) mist ook artikel 5 Rv, dat betrekking heeft op ouderlijke verantwoordelijkheid, toepassing. Nu de moeder haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv bevoegd van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De omstandigheid dat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek feitelijk in India verbleef, kan gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen niet tot een ander oordeel leiden. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of het mogelijk is in India een met een verdragsprocedure vergelijkbare en snelle procedure tot teruggeleiding te voeren. De moeder heeft gesteld dat dit niet het geval is. De moeder heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd. De Indiase rechter zal de stelling van de moeder dat de vader [minderjarige] heeft ontvoerd enkel kunnen beoordelen op grond van het Indiase recht. Het betreft hier een langdurige procedure, waarvan de uitkomst uiterst onzeker is, met name omdat men in India anders aankijkt tegen kinderontvoering: in India kan het overbrengen of achterhouden van een kind door een gezaghebbende ouder nooit als ontvoering worden gekwalificeerd. Daarnaast verkondigt de vader allerlei onwaarheden in India (in procedures en in de pers). Zo stelt hij voortdurend dat hij in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld, omdat de moeder [minderjarige] mishandelde, hetgeen onjuist is. De aanhangige procedures in India verlopen uiterst traag en eenzelfde lot zal een procedure tot teruggeleiding in India treffen. De vader wil niet dat de scheiding een feit wordt. De vader doet er alles aan de zaken te traineren, hetgeen in India ook lijkt te lukken. De vader is ook van mening dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in India was en is en dat hij het eenhoofdig gezag over haar zou moeten krijgen. Voor de vaststelling van het eenhoofdig gezag heeft de vader in India drie verschillende procedures aanhangig gemaakt, op 5 mei 2015 en in januari en november 2016. Tot op heden heeft in geen van deze procedures een inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. Voor zover de vader zich op de zogenaamde ‘habeas corpus procedure’ beroept, kan gezegd worden dat dit ook geen, met ee De moeder heeft gesteld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] voor haar overbrenging naar India eind september 2016 in Nederland was gelegen. De vader heeft gesteld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] altijd in India gelegen is geweest, dus ook voor haar overbrenging naar India. In genoemde beschikking van 6 juli 2015 heeft de rechtbank vastgesteld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] tot 7 december 2014 in elk geval in India was en dat in de periode tussen 8 december 2014 en 15 april 2015 de gewone verblijfplaats van [minderjarige] is verplaatst van India naar Nederland. Het gerechtshof Den Haag heeft in haar beschikking van 19 augustus 2015 – voor zover thans van belang – geoordeeld dat hij zich verenigt met het oordeel van deze rechtbank over de verplaatsing van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] tussen 8 december 2014 en 15 april 2015 naar Nederland. En naar het oordeel van het hof: “zijn in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die een andere beslissing rechtvaardigen…” en “ Naar het oordeel van het hof is door het handelen van partijen sprake van wijziging van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] , nu uit dat handelen naar het oordeel van het hof kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van [minderjarige] niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Naar het oordeel van het hof is dan ook geen sprake van ongeoorloofde achterhouding in de zin van artikel 3 HKOV. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.” Anders dan de vader heeft betoogd (en de rechtbank ook in velerlei documenten vanuit India steeds terugleest) is in de beschikking van het gerechtshof geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] tussen 8 december 2014 en 15 april 2015 is verplaatst naar Nederland en dat er geen sprake is van ongeoorloofde overbrenging of achterhouding vanuit India naar Nederland. Het gerechtshof is, net als de rechtbank eerder, van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in die periode is verplaatst van India naar Nederland. Nu de uitspraak van het gerechtshof Den Haag in rechte vaststaat, gaat de rechtbank er dan ook van uit dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] tussen 8 december 2014 en 15 april 2015 is verplaatst van India naar Nederland. Door de vader zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die maken dat geoordeeld kan worden dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in de periode van 15 april 2015 tot kort voor de overbrenging van [minderjarige] naar India op 29 september 2016 is gewijzigd in India. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat [minderjarige] onmiddellijk voor haar overbrenging naar India haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Op grond hiervan dient beoordeeld te worden of de overbrenging van [minderjarige] naar India is geschied in strijd met het gezagsrecht ingevolge het Nederlandse recht. Op grond van artikel 1:251, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek oefenen de ouders gedurende het huwelijk het gezag gezamenlijk uit. De vader heeft gesteld dat op 19 januari 2016 in India een Islamitische Sharia court order is afgegeven en dat hierin is vastgesteld dat de vader de ‘guardian’ is van [minderjarige] en dat hij als ‘guardian’ beslist waar het gezin verblijft. Daarnaast heeft de vader gewezen op de beslissing van de Indiase rechter van 17 juli 2017 in de daar aanhangige scheidingsprocedure met, zo begrijpt de rechtbank, nevenvoorzieningen, waarin de ‘interim custody’ aan de vader is toegekend. De voornoemde court order komt volgens vaste jurisprudentie voor erkenning in aanmerking indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: De vreemde vonnisrechter heeft op een internationaal aanvaarde grond rechtsmacht aangenomen; Het vreemde vonnis is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging; Het vreemde vonnis mag niet in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde;